Leidsch Dagblad – August 13, 2016

De luxe van holle retoriek

Laatst vroeg een lezer mij waarom ik niet meer aandacht besteed aan de enorme ramp die een Trump-presidentschap zou betekenen voor de Verenigde Staten en de rest van de wereld. U zult u mij niet horen zeggen dat het met die ramp wel mee zal vallen. Zelfs nu de peilingen anders doen geloven, blijft Donald Trump een reële kanshebber.

‘Ik kan iemand doodschieten op Times Square zonder kiezers kwijt te raken’, zei Trump begin dit jaar. Als wetenschapper heb ik veel onderzoek gedaan naar de retoriek van machtige mannen aan wie schijnbaar niets blijft kleven. Ze maken actief een icoon van zichzelf. Niet vanwege de inhoud, maar juist door een groot publiek de ruimte te geven hun eigen gevoelens te projecteren. ‘Make America Great Again’ is een lege wens – wat ‘great’ betekent, en wanneer Amerika in het verleden dan wél ‘great’ was, mag iedereen zelf invullen. Bijna iedereen heeft grieven over het heden en kan wel íets noemen dat ‘vroeger’ beter was. En zonder zijn aanhangers ooit te vragen om welke zaken het precies gaat, belooft Trump ze te zullen ‘aanpakken’.

Veel politici gebruiken deze retorische beweging – denk aan Obama’s slogan ‘Yes, we can!’. Wát kunnen we precies? En wie bedoelde Obama met ‘we’? Franklin Roosevelt had er ook een handje van. Zijn uitspraak ‘The only thing we have to fear is fear itself’ (‘Het enige beangstigende is angst’) is een voorbeeld. Hij zei dit op het moment dat mensen uit angst voor het omvallen van de banken hun spaargeld daar weghaalden. Waardoor veel banken natuurlijk juist omvielen. In die context was zijn uitspraak een betekenisvolle claim. Later gebruikte hij die nogmaals om de Amerikaanse burgers te overtuigen van de noodzaak tot interventie in de Tweede Wereldoorlog. De boodschap is zo geformuleerd dat hij steeds opnieuw betekenis krijgt.

Trump past deze truc in extreme vorm toe. Dat verklaart zijn succes natuurlijk maar ten dele. Bovendien laten sommige uitspraken juist onbedoeld negatieve constructies toe. Dat zagen we in de rel rond zijn grammaticaal moeilijk te duiden verwijzing naar “the Second Amendment people” (voorstanders van wapenbezit), die begrepen werd als doodsbedreiging aan het adres van Hillary Clinton.

Persoonlijk vind ik Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kanshebber een interessanter fenomeen. Ze presenteert zich, en wordt gezien als, de belichaming én levenslange dienaar van de vanzelfsprekende macht. Ze heeft daarmee minder ruimte om radicale standpunten in te nemen. Clinton persoonlijk heeft die wens ook niet. Maar het lijkt erop dat een vrouw in het huidige klimaat alleen als mainstream-kandidaat kans heeft serieus genomen te worden. Vrouwelijke kandidaten met extremere standpunten, zoals Republikeinse kandidaat-vicepresident Sarah Palin in 2008 of Green Party-kandidaat Jill Stein nu, worden daar veel harder op afgerekend dan hun mannelijke evenknieën.

En haar bevoorrechte positie ten spijt, ontmoet Clinton alsnog genderspecifieke weerstand, juist nu ze naar de macht dingt. Haar approval ratings waren altijd hoog in politieke functies, bijvoorbeeld als minister van Buitenlandse Zaken, maar consistent veel lager op het moment dat ze campagne voerde. Dat is geen individueel probleem van Clinton – een Harvard-studie uit 2010 laat zien dat vrouwelijke politici relatief populair zijn als ze een hoge politieke functie vervullen en worden gewantrouwd op het moment dat ze er kandidaat voor zijn. Blijkbaar is het geen probleem als vrouwen eenmaal macht hebben, maar roept het dingen naar macht, anders dan bij mannen, weerstand op. Ik hoop dat Trump geen president wordt, maar mede hierom ben ik er niet gerust op.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *