News

Leidsch Dagblad – January 28, 2017

De inaugurele rede

Donald Trump twitterde een paar dagen voor zijn inauguratie een foto van zichzelf achter een bureau, met een broeierige blik en de tekst ‘schrijvend aan mijn inaugurele rede’. Dit leidde tot hilariteit op sociale media, omdat de foto overduidelijk geënsceneerd is. Hij schreef de speech inderdaad niet zelf, bleek later. Twee van zijn belangrijkste adviseurs, Stephen Miller en Steve Bannon deden dat.

Amerikaanse presidenten houden, direct nadat ze zijn ingezworen, een inaugurele rede, waarin ze hun visie voor de toekomst uiteenzetten. Een speech met een tamelijk vaste vorm, vaak een poging om de eenheid te herstellen na de verkiezingsstrijd. Zinnen uit inaugurele redes zijn spreekwoordelijk geworden. The only thing we have to fear is fear itself – het enige dat we moeten vrezen is de vrees zelf, zei Franklin Roosevelt op 4 maart 1933. En Kennedy zei in 1961: Ask not what your country can do for you; ask what you can do for your country. Vraag niet wat je land voor jou kan doen, vraag wat jij kan doen voor jouw land.

Hoewel de meeste presidenten net als Trump graag doen geloven dat ze hun bij voorbaat al historische inauguratiespeech zelf schrijven, is het tamelijk gebruikelijk dat ze dit door adviseurs of ghostwriters laten doen. Of in elk geval, dat ze mensen opdracht geven om concepten te schrijven, waar ze samen verder aan werken. De historicus Davis Houck beschrijft zelfs hoe Roosevelt zijn, door ghostwriter Raymond Moley geschreven inaugural address eerst overschrijft in zijn eigen handschrift, en Moley daarna opdraagt het oorspronkelijke manuscript in de open haard te gooien. Het verhaal is moeilijk te checken. Houck heeft het uit Moleys dagboek, maar dagboeken zijn weinig neutrale bronnen. In elk geval is Trump niet de eerste president die zijn inauguratiespeech door anderen liet schrijven en dat vervolgens ontkent. En uiteraard bevestigt een professionele ghostwriter de woorden van zijn opdrachtgever, behalve misschien in zijn lieve dagboek.

Inhoudelijk gezien het opvallendste aan Donald Trumps inaugurele rede van vorige week vrijdag is dat die nauwelijks een handreiking bevatte naar mensen die niet op hem stemden. Dat is opmerkelijk , zeker voor een minderheidspresident, die miljoenen stemmen minder kreeg dan zijn Democratische tegenstander Hillary Clinton. De toon was sowieso hard. Vanaf nu wordt het beleid: ‘America First’. Die slogan refereert aan de America First-beweging uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. De beweging eiste dat de Verenigde Staten niet betrokken zouden raken bij de Tweede Wereldoorlog, en wilde in plaats daarvan een vriendschapsverdrag sluiten met Hitler-Duitsland. De beweging had antisemitische trekken. Het zou best kunnen dat Trump dit zelf niet weet, of dat het hem weinig interesseert. Het echoën van de nazi-vriendelijke isolationisten uit de jaren dertig was misschien niet zijn intentie. Maar Steve Bannon, die ooit weigerde zijn dochters naar een school met teveel ‘whiny Jewish brats’ te sturen, weet wel degelijk welke associatie ‘America First’ oproept.

Het is typerend voor hoe de Amerikaanse politiek werkt. Het is een oud cliché dat de president niet zozeer veel macht heeft, maar een frontman is om de aandacht af te leiden van de werkelijke machthebbers. En Trump is voor radicale Republikeinen, of ze nu extreemrechts, conservatief christelijk of tegen het reguleren van bedrijven zijn, een gedroomde frontman. Niet omdat ze het met hem eens zijn, maar omdat hij van de politiek een verslavende reality show maakt en daarmee constant de aandacht afleidt van de echte veranderingen in wet en beleid. Ik denk dus niet dat er een impeachment, een afzettingsprocedure, aankomt, wat voor ontoelaatbaars Trump ook doet. Dat is simpelweg niet in het belang van de Republikeinse meerderheid in het Congres. Als ze leren om hem enigszins in het gareel te houden kunnen ze hun politieke agenda verder doorvoeren dan ooit. En hoewel dat Trump-managen nog best moeilijk blijkt te zijn, doet juist Steve Bannon dit beter dan de meesten.

En Bannons inaugurele rede mag heel agressief en weinig subtiel zijn, hij zit retorisch goed in elkaar. Ondanks de enorme inhoudelijke afwijking van zowel Republikeinse als Democratische voorgangers in de afgelopen eeuw, haalt hij pakkende Amerikaanse clichés aan, zoals de, ooit door Franklin Roosevelt geïntroduceerde ‘vergeten man’, die vanaf nu niet meer vergeten zal worden. Als Trump zegt ‘Wij zullen onze manier van leven niet aan anderen opleggen, maar zullen een stralend voorbeeld zijn’, neemt hij afstand van de Amerikaanse traditionele rolsopvatting als mondiale brenger en beschermer van vrijheid en democratie. Toch klinken de woorden die hij gebruikt wel traditioneel. Ze doen denken aan de woorden van een van de eerste Britse kolonisten in Amerika, John Winthrop, die in 1630 zijn medekolonisten voorhield: ‘wij zullen als een stralende stad op een heuvel zijn; de ogen van de wereld zijn op ons gericht’. Ronald Reagan was ook dol op die frase. Maar voor hem betekende deze dat Amerika zich internationaal als gidsland moest opstellen. Trump neemt het beeld wel over, maar de implicaties voor Amerikaans buitenlandbeleid nadrukkelijk niet.

Het slotakkoord is Trumps eigen inmiddels spreekwoordelijke zin, eerst in een aantal varianten, en dan uiteindelijk in de oorspronkelijke vorm, waar iedereen al de hele speech op had zitten wachten: Make America Great Again. Het is interessant, en pijnlijk, om te zien dat ook de oppositie er niet vanaf komt. Make America Sane Again, de slogan die Hillary Clinton en velen met haar nu gebruiken, onderstreept de kracht van Trumps retoriek meer dan dat het een alternatief biedt. De taal en de mediaframes die tegenwicht kunnen bieden aan Bannon en zijn nationalistische krachtpatserij, moeten nog worden bedacht. Her en der hoor je aanstekelijke uitdrukkingen als resistance (verzet) en civil disobedience (burgerlijke ongehoorzaamheid), maar het ontwikkelen van een effectief tegengif staat in de kinderschoenen. Hier ligt een belangrijke taak voor Amerikaanse schrijvers en voor iedereen die kritisch tegenover de huidige ontwikkelingen staat. Hopelijk horen we over vier jaar dan weer iets gezelligers.

Leidsch Dagblad – January 14, 2017

Engerd Sessions ontsnapt aan aandacht

Sara Polak, 13 januari 2017

De Amerikaanse media verdronken de afgelopen dagen zo ongeveer in het nieuwste Trumpschandaal. Er dook een rapport over hem op, geschreven door een Britse spion. Het bevat moeilijk te verifiëren maar beangstigende claims. Donald Trumps team zou, met zijn medeweten, hebben samengewerkt met het Kremlin om de Amerikaanse verkiezingsuitslag te beïnvloeden. Trump zelf zou bovendien chantabel zijn, omdat de Russische president Vladimir Poetin uiterst belastende persoonlijke en financiële informatie over hem zou hebben.

Als het waar is, betekent het dat Trump, door verraad en persoonlijke besognes, als president de positie van de Verenigde Staten in de wereld ernstig verzwakt ten opzichte van Rusland. Een buitengewoon zware beschuldiging, die direct tot zijn impeachment zou kunnen leiden.

Des te vreemder vind ik het dat alle discussie over het mogelijke schandaal zich nu richt op één detail. Trump zou in een hotel in Moskou prostituées hebben ingehuurd om over het bed heen te plassen. Tja. Plasseks. Een beetje buitenissig. Maar een buitenissige seksuele voorkeur is niet verboden, al zouden sommige Amerikaanse machthebbers dat graag vergeten. Een onsmakelijker aspect van het verhaal is, dat dit zou zijn gebeurd in het bed waar ook de Obama’s ooit logeerden. Met de bedoeling hen te vernederen, zoals ook af en toe – in strijd met het oorlogsrecht – soldaten urineren over krijgsgevangenen of oorlogsdoden. Maar de Obama’s lagen op dat moment niet in dat bed. Kortom, het hele incident lijkt me, zelfs als het echt is gebeurd, weinig relevant. Hoe geinig de woordgrappen over golden showers, WeeWeeLeaks (‘plaslekken’) en Watersportsgate ook zijn.

Waar de waan van de dag ineens nauwelijks aandacht aan besteedde, terwijl die wél ontzettend belangrijk zijn, waren de hoorzittingen in de Senaat. In deze confirmation hearings worden door Trump aangewezen kandidaat-ministers ondervraagd. De Senaat moet hun aanstelling namelijk officieel goedkeuren. Hoewel voorgedragen kandidaten zelden worden afgewezen, kan de Senaat het de aanstaande ministers knap lastig maken. Dat is extra belangrijk, omdat er in het door Trump gekozen kabinet nogal wat controversiële kandidaten zitten. Het is ontzettend jammer – en typerend voor het Trumptijdperk – dat zij publiekelijk aan de tand zijn gevoeld op een moment dat niemand oplette.

Neem Jeff Sessions, de aankomend minister van Justitie. Hij is zeventig jaar en komt uit de staat Alabama, waar in de jaren zestig de cruciale slagen zijn gevochten om burgerrechten voor zwarten te garanderen. Sessions – genoemd naar een van de generaals die in de Burgeroorlog (1861-1865) voor de Zuidelijke staten en het behoud van de slavernij vocht – was daar fel tegen. Hij komt uit het stadje Selma, waar Martin Luther King zijn mars naar Montgomery begon om stemrecht voor zwarten af te dwingen. Als u de film ‘Selma’ van Ava DuVernay niet hebt gezien: het is een aanrader. En hoewel Sessions in die tijd amper volwassen was, geeft de film een indruk van het soort witte Zuiderling dat hij is. Racistisch – niet op een vage, impliciete manier zoals zovelen, maar expliciet. Hij vond dat het stemrecht en andere burgerrechten voor zwarten “de mensen door de strot was geduwd”. ‘De mensen’ in deze zin waren, neem ik aan, wit. Dat het voor de zwarte mensen, een meerderheid in grote delen van Alabama – geteisterd door onrecht en lynchpraktijken waar ze volkomen machteloos tegenover stonden – prettig was dat ze eindelijk enige politieke invloed kregen, zei hem niet zoveel.

In de jaren tachtig vervolgde hij als openbaar aanklager van Alabama met religieus fanatisme drie zwarte activisten. De ‘Marion Three’, waaronder Albert Turner, een oud-medewerker van Martin Luther King die in 1965 gewond raakte door politiegeweld in Selma. Zij probeerden zwarten ervan te overtuigen dat het veilig was te gaan stemmen, desnoods per absentee ballot, dus per brief. Want zelfs toen constitutioneel allang was vastgelegd dat zwarten mochten stemmen, was er in Alabama reden genoeg om bang te zijn als je als zwarte stemmer in de rij stond om gebruik te maken van je recht. Dat is trouwens nog steeds zo.

Jeff Sessions, overtuigd dat de Marion Three de per brief ingezonden stemmen stiekem veranderden, vervolgde hen. Zelfs toen allang duidelijk was dat er niets illegaals was gebeurd. Ze werden vrijgesproken, dus in die zin is die episode een gewoon voorbeeld van verdachten die later onschuldig bleken. Maar de context is hier belangrijk. Zwarte mensen mochten nog maar sinds kort stemmen. Het vergde moed. Dat activisten die daarbij hielpen in de gevangenis belandden – al was het alleen in voorarrest – was een duidelijk signaal.

Dit voorval, en een paar expliciet racistische uitspraken, kostte Sessions in 1986 een benoeming als federaal rechter. Nu wordt hij minister van Justitie. Misschien is hij veranderd, al stelt het niet gerust dat hij de in 2013 versoepelde Voting Rights Act, die een deel van de oorspronkelijke garanties loslaat, toejuichte.

De versoepeling betekent dat individuele staten veel wijzigingen in stemprocedures niet meer door de federale overheid hoeven te laten goedkeuren. Met name de zuidelijke staten namen direct daarna wetten aan die voordien afgekeurd zouden worden. Bijvoorbeeld om kiesdistricten opnieuw in te delen, zodat zwarten nu in de meeste individuele districten in de minderheid zijn. Ook voerden veel staten een strenge identificatieplicht in. Een regel die juist de veelal arme zwarten – die vaak geen paspoort of rijbewijs hebben – buitensluit. Hoewel deze regels niet expliciet racistisch zijn, zijn ze bedoeld om de traditioneel Democratisch stemmende  zwarten uit te sluiten van het democratisch proces. Net als de poll tax (stembelasting) dat vóór 1965 was.  “Fijn voor het Zuiden”, vindt Sessions. Het witte, Republikeinse Zuiden wel te verstaan.

Al met al is Jeff Sessions voor zwarten ongeveer wat vicepresident Mike Pence is voor homo’s – een engerd. Beiden zijn uiterst conservatief en Trump heeft ook Sessions serieus als running mate overwogen. Als hij die functie had gekregen, was hij nu niet door de Senaat ondervraagd. Maar ach, hij krijgt de baan deze keer wel. En de meeste mensen keken niet naar zijn antwoorden op kritische vragen, want iedereen zat zich te verkneukelen over Trump en zijn plasfeestjes.

Leidsch Dagblad – December 31, 2016

Trumpisme en het eind van de lange twintigste eeuw

Sara Polak

Er was een gruwelijke aanslag in Berlijn. Zanger George Michael overleed, net als schrijfster en Star Wars-prinses Carrie Fisher. Een veelgehoorde mantra was dat 2016 zo’n vreselijk jaar was. Ga weg 2016, we hebben een hekel aan je! Ik snap het gevoel, en heb er hartelijk om gelachen toen deze trend zich voor het eerst aftekende. Dat was naar aanleiding van de dood van David Bowie. 2016 was op dat moment acht dagen oud.

Inmiddels lijkt het mij naïef aan te nemen dat we hier met de slechte vibes van één uitzonderlijk jaar te maken hebben en dat 2017 het patroon van 2014 en 2015 zal hervatten. Ik denk dat 2016 een historisch keerpunt vormt, doordat de ideologische beweging die we nu ‘Trumpisme’ noemen voor het eerst concrete macht heeft. Die term is nieuw, maar de beweging is niet van gisteren.

De Britse historicus Eric Hobsbawm populariseerde in de jaren negentig de uitdrukkingen ‘de lange negentiende’ en ‘de korte twintigste eeuw’ om de recente geschiedenis van het Westen te begrijpen. De lange negentiende eeuw liep in Hobsbawms visie van 1789, het jaar van de Franse Revolutie, tot 1914, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Dit was in Europa en de Verenigde Staten een eeuw van industriële revolutie, vooruitgang in levensstandaarden, de opkomst van democratische en nationale culturen. De korte twintigste eeuw loopt van 1914 tot en met 1991, het jaar waarin de communistische Sovjet-Unie uiteen viel. Je zou kunnen zeggen dat de korte twintigste eeuw in Nederland extra kort was, omdat ze pas op 10 mei 1940 het land binnenmarcheerde.

Dit is de eeuw waarin de wereld ontstond zoals wij die kennen. Via de gruwelen van  twee Wereldoorlogen en de Koude Oorlog naar dekolonisatie en emancipatie van vrouwen en minderheden. Naar een wereld vol moderne technologie, massamedia en toenemende globalisering. Met Amerika als lichtend voorbeeld en wereldwijde voorvechter van vrijheid, democratie, pluralisme en kapitalisme.

Hobsbawm heeft het niet kunnen meemaken, want hij overleed in 2012, maar bij nader inzien geloof ik niet dat 1914-1991 de meest bruikbare periodisering is om over de twintigste eeuw te denken. Het is te vroeg om het zeker te weten, maar ik denk dat de lange twintigste eeuw – de Amerikaanse eeuw, de eeuw van wereldwijde democratisering – van 1914 tot en met 2016 liep. Met de opkomst en verkiezing van Donald Trump is aan die periode een einde gekomen. Niet vanwege de persoon, maar vanwege de xenofobe en antidemocratische ideologie die hij vertegenwoordigt. Die ideologie heeft wereldwijd de wind mee, en heeft plotseling meer macht dan ooit.

De wereld waar we vandaag in leven, schreef de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger in 1998, is Franklin Roosevelts wereld. Daar zat, zeker toen, iets in. Roosevelts wereld zoals die, vooral door de Tweede Wereldoorlog, ontstond, was er één waarin de Amerikanen hun model van democratie, vrijheid, gelijkheid, pluralisme en kapitalisme actief uitventten. Compleet met typisch Amerikaanse innovaties, muziekgenres en fastfoodketens. Doordat het Amerikaanse internationalisme van de lange twintigste eeuw zowel progressieve als imperialistische aspecten had, kreeg het aan beide kanten van het politieke spectrum een logische plek. Net als de Democratische Roosevelt waren Republikeinse presidenten Dwight Eisenhower, Ronald Reagan en beide Bushes echte internationalisten.

In de verbazing over de snelle opkomst van Trumps protectionistisch-nationalistische beweging zou je haast vergeten dat er al de gehele lange twintigste eeuw een beweging bestond tegen dat internationalisme. In de jaren twintig had die beweging felle kritiek op de toestroom van immigranten en dwong ze de overheid tot het instellen van strikte quota, gebaseerd op het land van herkomst. Zowel toen Amerika betrokken dreigde te raken bij de Eerste Wereldoorlog als bij de Tweede, had het isolationisme een grote aanhang. Veel isolationisten hadden wel bewondering voor Hitler, en in elk geval vond men dat Europa zijn eigen problemen moest oplossen. Rond 1940 ging het wellicht zelfs om meer dan de helft van de bevolking.

Toen Roosevelt zich dat jaar voor de derde keer verkiesbaar stelde als president – een unicum in de Amerikaanse geschiedenis – zou hij misschien verloren hebben als de Republikeinen een isolationistische kandidaat hadden genomineerd. Maar hun kandidaat, Wendell Willkie, was ook voorstander van ingrijpen in het conflict in Europa, en bood de kiezers dus geen isolationistisch alternatief. Willkie verloor de verkiezingen verpletterend.

Roosevelt kreeg ontzettend gelijk met zijn interventionisme, zowel vanuit moreel oogpunt, als in de zin dat het de VS tot het rijkste en machtigste land ter wereld maakte. Daardoor was er na 1945 weinig over van de isolationistische stroming. Waren isolationisten in de jaren dertig nog vooral rechts georiënteerd, later vonden ze juist bij de Republikeinen weinig gehoor. Althans, wel voor hun strijd tegen immigratie en burgerrechten voor etnische minderheden, maar niet voor hun bezwaar tegen ingrijpen in overzeese conflicten. Tot Donald Trump. Dat Trump zich nu afficheert als tegenstander van het eerste uur van de oorlog in Irak, past bij zijn streven de nooit geheel verdwenen scepsis tegen bemoeienis met het buitenland te belichamen.

Trumpisme is, kortom, allesbehalve nieuw in de VS. Dit is wel de eerste keer dat het nadrukkelijk aan de macht is. Trump lanceerde donderdag twee basisregels voor zijn regering: ‘buy American, hire American’ (koop Amerikaans, neem Amerikaans personeel). Natuurlijk valt ook dat weer te relativeren. Zijn geliefde rode petje is made in China. Zijn zakenimperium heeft duizenden migranten laten invliegen om in de VS voor zijn ondernemingen te werken. Om nog maar te zwijgen van het feit dat hij waarschijnlijk mede door Russische inmenging in het zadel is geholpen. Bovendien is een groot deel van zijn kabinet helemaal niet tegen globalisering van de handel.

Maar als Trump ergens consistent in is, dan is het wel in zijn xenofobe en antidemocratische reflexen. De tijd dat in de VS vrijheid, gelijkheid, democratie en pluralisme de standaard en de belangrijkste exportproducten waren, lijkt voorbij. Dat is slecht nieuws, niet in de laatste plaats voor Europa. Hoe onverantwoord, arrogant en mislukt veel Amerikaanse interventies in de laatste decennia ook waren. De lange twintigste eeuw, Roosevelts wereld, is in 2016 gesneuveld. Fasten your seatbelts.

Leidsch Dagblad – December 17, 2016

LRV_Opinie_01, Multitabloid 17-12-2016, LRV 1 – BIBU

Positief over Trump

‘Kun je niet een keer wat pósitiefs schrijven over Donald Trump?’, vroeg een vriendin mij laatst. Tja. Moeilijk. Toen ik een paar maanden geleden begon met schrijven voor deze krant werd me snel duidelijk dat ik niet in staat was Hillary Clinton en Donald Trump hetzelfde te benaderen. Ik heb geprobeerd aan elk van beiden evenveel aandacht te besteden en heldere argumenten te gebruiken. Maar neutraal, nee.

Als geesteswetenschapper weet ik dat distantie een mooi streven is, maar dat het naïef is te denken dat onderzoek waardevrij kan zijn. Je kunt geen verhaal vertellen zonder andere verhalen achterwege te laten. Omdat ik voorstander ben van openheid hierover, houd ik wel van de Amerikaanse traditie dat media in de aanloop naar de verkiezingen expliciet partij kiezen. Nederlandse media hebben ook een politieke kleur, maar die blijft impliciet. Zo kun je de indruk krijgen dat media objectief zijn, terwijl dat niet klopt. Kwalijk – vond ik altijd.

Maar de laatste tijd verschuift mijn standpunt. In de VS zijn de media de afgelopen twintig jaar radicaal gepolariseerd. Inmiddels is er nauwelijks meer een basis van simpele feiten waarover iedereen het eens is. De Wall Street Journal heeft een tool ontwikkeld waarmee dit in één oogopslag duidelijk is. De ‘Blue Feed, Red Feed’ laat zien hoe de berichtgeving van Republikeinse versus de Democratische media verschilt. Als je daarnaar kijkt – het blijkt trouwens ook uit andere onderzoeken – zie je dat er twee totaal verschillende Amerika’s zijn. Niet gesegregeerd naar ras, klasse of wat dan ook, maar naar politieke kleur.

Als je vooral via Facebook of Twitter het nieuws volgt, dan wordt de selectie aangeboden nieuwsberichten bepaald door het algoritme van het medium. Facebook wil gebruikers zo lang mogelijk op de website houden, dus biedt het je bij voorkeur geen berichten aan die je irriteren. Zodoende kom je via sociale media zelden berichten tegen die niet passen bij je politieke voorkeur.

Zo leven de twee Amerika’s langs elkaar heen. De CIA zegt dat Russische hackers de Amerikaanse verkiezingen hebben beïnvloed. Donald Trump spreekt dat tegen. De feiten lijken volkomen ondergeschikt aan politieke belangen. Terwijl er toch echt een objectief antwoord mogelijk moet zijn in dit geval. De waarheid ligt niet in het midden. Het is gebeurd, of niet.

Maar in een wereld die zo is opgebouwd, is het makkelijk liegen. Sterker nog, aantonen dat iets feitelijk onjuist is, is in die wereld een politiek statement. Een feitoïde – een uitspraak die  zich als feit gedraagt, maar niet waar is – introduceren, wordt een legitieme interventie. Ik zal de eerste zijn om te benadrukken dat verhalen, waar of niet, ertoe doen. En Trump produceert ijzersterke verhalen en feitoïden, waartegen het niet zo lang geleden nog veel te machtige establishment zich slecht kan wapenen.

Je hoort vaak dat Trumps motto is: ‘het maakt niet uit wat ze over je zeggen, als ze maar over je praten’. Voor de meeste politici klopt die uitspraak niet. Het oproepen van een heftige negatieve reactie is meestal politieke zelfmoord. Maar in een tijd waarin veel mensen bijna niets meer voelen bij politiek, staat Trump sterk omdat hij wel een reactie oproept. Zelfs als dat een kotsneiging is, is het meer dan niets.

Overigens geloof ik niet dat het Donald Trump koud laat wat mensen van hem vinden. Hij is juist – op het ontroerende af – gevoelig voor de mening van anderen. Hij wil geprezen en beklopt worden, het liefst door mensen waar hij tegenop kijkt. Tijdens het extreem vijandige tweede verkiezingsdebat in oktober vroeg iemand uit het publiek beide kandidaten om iets aardigs over de ander te zeggen. Trumps campagne zat die week op een dieptepunt – zo erg dat hij zich genoodzaakt zag de buitenechtelijke exen van Hillary Clintons echtgenoot op de voorste rij in de zaal te zetten. Maar toen Hillary in antwoord op die vraag zei dat ze waardering had voor zijn kinderen, smolt hij. Voor het eerst die avond lachte hij en even oogde hij zelfs ontspannen. Iemand – en niet zomaar iemand – zei wat aardigs over zijn kinderen. Als hij niet tot over zijn oren in pussygate had gezeten, had hij haar wel kunnen zoenen. Ik snap dat. Iemand die je kinderen complimenteert, kan je dag goed maken.

Trump wordt door velen gezien als zo’n joviale oom bij de kerstbrunch die nu eenmaal vaak net de verkeerde grappen maakt. ‘Oh, sociologie? En daarna direct aan de uitkering zeker?’ Of ‘Doe dat nou niet, mop, denk aan je lijn!’. Hij weet héus wel dat hij dat niet had moeten zeggen, maar hij bedoelde het niet slecht, en kunnen we er nou over ophouden alsjeblieft? Zulke types kennen we uit het dagelijks leven en als figurant in tientallen grappige en romantische Hollywoodfilms. Het is een stereotype waar veel Amerikanen zich lekker aan kunnen ergeren, maar waar ze uiteindelijk vergevingsgezind tegenover staan. Zo krijgt Trump het voordeel van de twijfel. Het is jammer voor Hillary Clinton – en velen met haar – dat er in films zo weinig types zitten die op haar lijken. En voor zover ze er zijn, zijn ze bitchy en onsympathiek. Dat Clinton toch meer stemmen kreeg dan welke mannelijke presidentskandidaat in de VS ooit, mag een wonder heten. Al koopt ze er niets voor.

Donald Trump mag dan misschien een foute ome zijn, maar zijn negatieve impact is kleiner dan die van veel andere Republikeinse kopstukken, want hij heeft nog geen wetten op zijn naam staan. Flauw argument, want het komt doordat hij geen politieke ervaring heeft. Maar toch.

Vicepresident-elect Mike Pence heeft wel wetten gemaakt en besluiten genomen die rechtstreeks negatieve invloed hebben op miljoenen levens. Hij stemde als senator bijvoorbeeld tegen een federaal fonds om mensen met hiv/aids te behandelen. Hij zou, zei hij, het programma alleen steunen als de overheid evenveel zou investeren in het ontmoedigen van seksueel contact tussen mensen van hetzelfde geslacht. Gevolg: slechts een derde van de mensen met hiv in de VS gebruikt medicijnen om het virus onder controle te houden, tegen 80 tot 90 procent in Europa. Dat heeft Pence niet alleen gedaan, maar zijn impact over de jaren is enorm. Trumps blazoen is op dit punt schoon. Nog even. Positief toch?

Leidsch Dagblad – December 3, 2016 (English)

LRV_Opinie_01, Multitabloid 03-12-2016, LRV 1 – BIBU

How Trump’s Words Are Deeds

Sara Polak, December 3, 2016

About the video clip in which Donald Trump brags about his habit to grab women ‘by the pussy’, he himself has said on several occasions that these were ‘just words’.  Only words. No deeds. Given the number of women that came forward to confirm his words in the days that followed the appearance of the clip, that would seem unlikely. Many sexual abuse cases are bogged down in bickering which it is hard to form a judgement about. The American expression for this is he said, she said – her word against his – but in this case he and she said the same thing. Until it got Trump into trouble. Then he performed a classical Trump Turn by denying the accusations and his own words, and instead presenting himself as a victim of that mean Democratic campaign.

Although I do not believe Trump works hard to perfect the Trump Turn, I do come across increasingly crass instances. Take this tweet of November 27: ‘In addition to winning the Electoral College in a landslide, I won the popular vote if you deduct the millions of people who voted illegally’. One almost has to admire how Trump, within 140 characters, manages to cast himself as the ‘landslide’ winner and the mistreated victim of election fraud – of elections that he won. Paul Waldman from the Washington Post analyzes why many journalists – also from right-wing Fox News – have difficulty reporting the Trump Turn. They are used to dealing with politicians who may sometimes stretch the truth, but who do stay within a certain bandwidth. This usually allowed them to report without any problem what a politician said, and then, if necessary, criticize that remark in terms of content. Journalists now rightly resist headlines along the lines of: Trump: ‘Mexicans Are Rapists’. It is true that he said this, but such a quotation implicitly gives a podium to discriminatory nonsense. Many news outlets now go for: Trump falsely claims… [fill out something outrageous here].

It makes sense that journalists give attention to a tweet like this – the president-elect apparently believes that there has been large-scale election fraud. And of course that is news. But both forms of reporting still give enormous leeway to Donald Trump and his supporters to prove their Overarching Point: the media are biased and dishonorable. Not only does this turn journalistic criticism of Trump’s words into a game of he-said-she-said, but the mechanism itself suggests also at a meta-level that there is no truth. The press, as Fourth Estate, the fourth pillar of democracy that critically questions what happens at the center of political power, for and on behalf of all citizens, gets reduced to a group of sour losers with ‘just an opinion’.  A wrong, failing, unfair opinion, according to Trump.

This mechanism repeats itself practically every day. Trump says something idiotic, journalists criticize it loudly, and Trumps responds triumphantly that this shows once more how unreliable they are. By saying that, he does various things. First of all, as noted, he pulls down the press as watchdog of the democratic order. Secondly, he draws attention away from more important issues, such as the fact that Trump is already exploiting the presidency on a large scale to enrich his businesses.

Until now most decisions of American presidents were based on a combination of pragmatic an ideological grounds, but now an important motivation is added: is a decision good for Trump’s business imperium? We are already starting to see that countries like Russia and the Philippines are giving extra space to his business interests. The United States’ traditional allies, such as the Netherlands, have laws that prevent this kind of corruption. Paul Krugman observes in the New York Times that this creates the danger that the US will, for the wrong reasons, intensify its relations with undemocratic regimes. During his campaign Trump promised there would be ‘a wall’ between his political and his business interest, but I’m hearing worryingly little about that now. And sometimes I have the impressive that he saves his most provocative tweets for the moments this issue threatens to come up.

The American political scientist Jacob Levy describes yet another way in which Trump’s lies work for him. They force his future cabinet members, staff and party associates to prove their loyalty by upholding their boss’s lies. Which will then make them even more dependent on him than they are already. This is extra worrying because the Republicans now have a majority in the House of Representatives and in the Senate – and in the longer term also in the Supreme Court – all three traditional branches of political power in the Unites States. Effective pushback can only realistically come from within Trump’s own party. Such power games make it less likely  that this will happen.

In the fields of linguistics and language philosophy there has been much thinking about what John Austin in 1962 coined speech acts. Expressions that do something concrete. The classical example is: ‘I hereby declare you man and wife.’ Once that sentence has been spoken, reality has changed, and the content has become true. Or: ‘I promise I will do that.’ When you say that, you commit yourself, socially as well as legally. Language is, to use some jargon, performative. Trump, famous from the television reality show The Apprentice, where every week a candidate was sent home after his devastating speech act ‘You’re fired!’, knows that. And he uses a wide range of methods to do things with words. Among other things to hide his own abuse of power by claiming that it was all just words.

Leidsch Dagblad – December 3, 2016

LRV_Opinie_01, Multitabloid 03-12-2016, LRV 1 – BIBU

Hoe Trumps woorden daden zijn

Sara Polak

Over het videofilmpje waarin Donald Trump opschept over zijn gewoonte om vrouwen in hun kruis te grijpen, zei hij zelf meermaals dat het just words waren. Alleen maar woorden. Geen daden. Gezien het aantal vrouwen dat zich in de dagen na het opduiken van het filmpje meldde om zijn woorden te bevestigen, lijkt dat me stug. Veel misbruikzaken verzanden in geruzie waar moeilijk over valt te oordelen. De Amerikaanse uitdrukking hiervoor is he said, she said – haar woord tegen het zijne – maar in dit geval zeiden hij en zij hetzelfde. Totdat Trump erdoor in moeilijkheden raakte. Toen maakte hij een klassieke Trumpdraai door de aantijgingen én zijn eigen uitspraken te ontkennen, en zichzelf als slachtoffer te presenteren van die gemene Democratische campagne.

Hoewel ik niet geloof dat Trump hard oefent om de Trumpdraai te perfectioneren, kom ik steeds krassere voorbeelden tegen. Neem deze tweet van 27 november: ‘Behalve dat ik het kiescollege met een overweldigende meerderheid gewonnen heb, zou ik ook het hoogste aantal stemmen gekregen hebben, als je die miljoenen illegale stemmen niet meerekent’ . Het wekt bijna bewondering hoe Trump in 140 tekens weet te persen dat hij zowel de grote winnaar, als het beklagenswaardige fraudeslachtoffer is – bij verkiezingen die hij heeft gewonnen.

Paul Waldman van de Washington Post analyseert waarom veel journalisten – ook van het als rechts bekende Fox News – moeite hebben met het verslaan van de Trumpdraai. Ze zijn gewend om te gaan met politici die de waarheid weliswaar soms oprekken, maar toch binnen een zekere bandbreedte blijven. Daardoor konden ze meestal prima rechtstreeks berichten over een uitspraak van een politicus en dan eventueel inhoudelijke kritiek leveren op die uitspraak. Terecht verzetten journalisten zich nu tegen koppen van het type: Trump: ‘Mexicanen zijn verkrachters’. Het is waar dat hij dat zegt, maar impliciet geeft zo’n citaat een podium aan discriminerende onzin. Veel kranten kiezen nu voor: Trump claimt ten onrechte … vult u zelf maar iets onhebbelijks in.

Het is logisch dat journalisten aandacht geven aan zo’n tweet – de president-elect gelooft blijkbaar dat er sprake is van verkiezingsfraude op grote schaal. En natuurlijk is dat nieuwswaardig. Maar beide varianten laten zeeën van ruimte voor Donald Trump en zijn aanhangers om hun Grote Gelijk te bewijzen: de media zijn partijdig en deugen niet. Niet alleen verwordt journalistieke kritiek op Trumps uitspraken daarmee tot een welles-nietesspel, maar het mechanisme zelf suggereert ook op meta-niveau dat er geen waarheid is. De pers, als Fourth Estate, de vierde pijler van de democratie die voor en namens burgers kritisch bevraagt wat er in het centrum van de macht gebeurt, wordt daarmee gereduceerd tot een groepje zure losers met ‘ook maar een mening’. Een verkeerde, falende, oneerlijke mening, aldus Trump.

Dit mechanisme herhaalt zich vrijwel dagelijks. Trump zegt iets idioots, journalisten bekritiseren dat luidkeels, en Trump reageert triomfantelijk dat dit maar weer aantoont hoe onbetrouwbaar ze zijn. Daarmee doet hij verschillende dingen. Ten eerste haalt hij, zoals gezegd, de pers als controlerende macht in de democratische orde onderuit. Verder leidt hij de aandacht af van belangrijkere zaken, zoals het feit dat Trump zijn presidentschap nu al op grote schaal uitbuit om zijn bedrijven te verrijken.

Tot nu toe waren de meeste beslissingen van Amerikaanse presidenten gebaseerd op een combinatie van praktische en ideologische overwegingen, maar daar komt nu een belangrijke motivatie bij: is een besluit goed voor Trumps zakenimperium? Je ziet nu bijvoorbeeld al dat Rusland en de Filipijnen enorme ruimte geven aan zijn zakelijke belangen. Amerika’s traditionele bondgenoten, zoals Nederland, hebben wetten die dit soort corruptie onmogelijk maken. Politiek commentator Paul Krugman merkt in de New York Times op, dat hierdoor het gevaar dreigt dat Amerika om de verkeerde redenen de banden met ondemocratische landen extra aanhaalt. In zijn campagne beloofde Trump dat er ‘een muur’ zou komen tussen zijn zakelijke en politieke belangen, maar daar lees ik niets meer over. En soms heb ik de indruk dat hij zijn meest hemeltergende tweets stuurt zodra dat onderwerp ter sprake dreigt te komen.

De Amerikaanse politicoloog Jacob Levy beschrijft nog een andere manier waarop Trumps leugens voor hem werken. Ze dwingen zijn aanstaande ministers, partijgenoten en stafleden hun loyaliteit te bewijzen door met hun baas mee te liegen. En vervolgens zijn ze nog afhankelijker van hem dan ze toch al waren. Doordat de Republikeinen nu een meerderheid hebben in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat – en op termijn ook in het Hooggerechtshof –  alle drie de traditionele gebieden van de politieke macht in de VS – is dat extra beangstigend. Effectief tegengas moet eigenlijk wel van binnen zijn eigen partij komen. Dit soort machtsspelletjes maakt het minder waarschijnlijk dat dat zal gebeuren.

In de taalwetenschap en taalfilosofie is veel nagedacht over wat John Austin in 1962 introduceerde als speech acts (‘spraakdaden’). Uitspraken die iets concreets doen. Het klassieke voorbeeld is: ‘Hierbij verklaar ik u tot man en vrouw.’ Zodra die zin is uitgesproken, is de realiteit veranderd en de inhoud waar geworden. Of: ‘Ik beloof dat ik dat zal doen.’ Als je dat zegt, committeer je je, sociaal en juridisch. Taal is, om een vakterm te gebruiken, performatief. Trump, bekend van het televisieprogramma The Apprentice, waar elke week een kandidaat naar huis gestuurd werd na zijn verpletterende spraakdaad ‘You´re fired!’ – ‘Je bent ontslagen!’ – weet dat. En hij gebruikt een heel scala aan manieren om dingen te doen door middel van woorden. Waaronder het verdonkeremanen van zijn eigen machtsmisbruik, door te zeggen dat het allemaal just words zijn.

Leidsch Dagblad – November 12, 2016 (English)

Donald Trump and the Power of Shame

Donald Trump – an open racist, sexist, and xenophobe – has been elected president of the United States. I do not belong to the school of analysts who think things will turn out alright.

But as I wrote here previously: I am not the kind of academic who tries to predict future developments. Thankfully, because in the Great Fingerpointing that always follows elections, the pollsters, who had predicted Hillary Clinton would win, are at the receiving end. At the same time, they are now under massive pressure to go on predicting right away. It is their job, and everyone wants to know what will happen now. A logical, but also an impossible question. Trump has often said that he wants to be unpredictable. For a wily businessman it makes sense to keep one’s cards close to one’s chest. But for the rest of the already unstable world, it is potentially dangerous if the global military superpower is unreliable. But whether this will first become a problem in Turkey, Iran, Germany, Yemen, Estonia, China, or perhaps nowhere at all – I have no idea.

The same goes for all those other questions. Will abortion be outlawed? Is there really going to be a wall to close off the Mexican border? Will there be large-scale deportations of undocumented immigrants? I don’t know. Because the Republican Party now supplies not just the president, but also has a majority in the House of Representatives, the Senate, and in the heavily politicized Supreme Court, there is little reason for reassurance.

If ‘Obamacare’, the collective health insurance program, is shut down – and that is to be expected – twenty million already vulnerable people will lose health insurance. This means in most states that people cannot go to the doctor, until their lives are in acute danger. I already found it a nightmare when we were living in the US – well-insured though we were. If one of the kids fell in the playground, or had an unusually high fever, I would get stressed about the insurance documents, and whether we would be able to find a clinic that did business with our insurance company.

The United States of America is one out of five countries in the world that has no federally paid form of maternity leave whatsoever – something Trump has in fact vowed to change – and the culture around health care is different from the Dutch. Medical care is expensive and commercial and Americans tend not to expect much from the government in this regard. But of course, American parents too get stressed when they cannot take their sick child to a doctor.

No more predictions from me, though. I do have some thoughts about causes. I hear many hypotheses. ‘So many blacks are incarcerated in Florida – if ten percent of them had been allowed to vote and they had voted for Hillary Clinton, she would have won the election.’ ‘White women did go for Trump after all – it’s their fault.’ ‘The white working class feels neglected.’ And: ‘misogyny!’  All those factors have played a role, but they offer a limited understanding of what happened. The translation into demographic groups suggests a homogeneity within those groups that does not exist. ‘The elite’, ‘the latinos’, ‘the poor whites’. None of those groups really exist as such. They are labels that do not do justice to reality, but do influence public perceptions.

One analysis that I found more enlightening, was the one by Adam Haslett in The Nation of one month ago. If you are interested in reading the long, English original, google “Donald Trump, Shamer in Chief”. Haslett argues that the driving emotion of this election was shame – economic, ethnic, or personal shame. And not anger, as most have assumed. Almost everybody in the US is ashamed, Haslett writes. Of their poverty, relative imperfection compared to other people’s Facebook photos, obesity, disappointing business results, unemployment, you name it. The current culture – Donald Trump in front – is organized around exploiting that shame. The lack of solidarity and real contact between people makes it attractive to neutralize one’s own shame by humiliating others even worse.

I see a lot of that happening on Twitter. Someone says something, and another verbally attacks him – or more often: her – brutally. This happens in a way that in common interpersonal contact would have been completely outrageous. Twitter is a kind of schoolyard, and what is satisfying to many about such attacks, I think, is that it happens in public. Everyone sees you slam that other person to the ground, in 140 well-chosen characters. Social media – which of course are commercial media – lend themselves perfectly for this kind of bullying. And bullying is a strategy to negotiate social unsafety in a group. In American society most people, whether they are left-wing, right-wing, male, female, poor, rich, black, or white, feel ashamed and unsafe. The national ideology that America is the best country with the most opportunities for all, contributes to that feeling. If you are unsuccessful in any way, it surely has to be your own fault.

Perhaps the easiest way to assuage that feeling, and at least feel somewhat superior, is by shaming others. And social media offer a perfect environment for doing that. Facebook is one of the very few remaining spaces where people meet each other daily. In churches and village squares people also bullied each other, because there too, the atmosphere was often one of shame rather than open contact. But Facebook and Twitter are peculiarly geared to extreme and explicit bullying. Donald Trump is an expert in doing so, and has the support of thousands of Twitter users who have dedicated years to systematically demolishing Hillary Clinton. Successfully.

Of course there are other ways of dealing with your other and others’ shame. I have in the period I had the privilege to write for this paper, received one nasty reaction. Obviously intended to belittle me. It worked. I felt myself shrink. But the sting was removed as soon as I shared the incident with a colleague whom I trust, and who, as foreseen, responded with kindness and humor. Shame as driving emotion and social media as village square do not stimulate openness or careful listening. Still, that is the better way out than a pyramid game of humiliation with Donald Trump at the top. And it is a way out that remains available, also in the US – even if the country now seems even more polarized than last week.

And then, finally, because I won’t disappear after today, but this series about the US elections reaches its end here, I do wish to thank everybody who has read these columns very much. Especially those who have taken the trouble to respond (except that one person), and in particular the three people – Willemien Groot, Vincent van der Noort, and Menno Polak – who have read everything before publication, and who have saved me from many, sometimes shameful mistakes.  And who have mopped me up, last Wednesday, because the news did get me down immensely.

Leidsch Dagblad – November 12, 2016

Trump en de macht van de schaamte

(English below Dutch)

Donald Trump – een openlijke racist, seksist en xenofoob – is gekozen tot president van de Verenigde Staten. Ik behoor niet tot de school die denkt dat het allemaal wel mee zal vallen.

Maar zoals ik eerder schreef: ik ben geen voorspeller. Gelukkig, want in het Grote Vingerwijzen dat altijd volgt na verkiezingen, krijgen de opiniepeilers, die een overwinning voor Hillary Clinton verwachtten, het wel voor hun kiezen. Tegelijk staan ze nu onder druk om meteen weer verder te voorspellen. Het is hun vak en iedereen wil weten wat er gaat gebeuren. Een logische, maar ook een onmogelijke vraag. Trump heeft vaak gezegd dat hij onvoorspelbaar wil zijn. Voor een slinkse zakenman is het handig je kaarten dicht tegen de borst te houden. Maar voor de rest van de toch al instabiele wereld is het potentieel gevaarlijk als de mondiale militaire grootmacht niet betrouwbaar is. Maar of dat als eerste tot problemen gaat leiden in Turkije, Iran, Duitsland, Jemen, Estland, China, of misschien wel helemaal nergens – geen idee.

En ook al die andere vragen. Wordt abortus nu verboden? Komt die muur aan de Mexicaanse grens er echt? Gaan er op grote schaal deportaties van illegalen plaatsvinden?  Ik weet het niet. Omdat de Republikeinse partij nu niet alleen de president levert, maar ook een meerderheid heeft in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat, én in het zwaar gepolitiseerde Hooggerechtshof, is er weinig reden voor gerustheid.

Als “Obamacare”, het collectieve zorgverzekeringsprogramma, sneuvelt – en dat valt wel te verwachten – komen twintig miljoen toch al kwetsbare mensen zonder zorgverzekering te zitten. Dat betekent in de meeste staten dat mensen niet naar de dokter kunnen, tot ze in acuut levensgevaar zijn. Ik vond het al een ramp toen wij – verzekerd en wel – in de VS woonden. Als één van de kinderen van een klimrek viel of ongebruikelijk hoge koorts had, raakte ik vooral in de stress over de verzekeringspapieren, en of we bij een huisartsenpost zouden belanden die zaken deed met onze verzekeraar.

Amerika is één van de vijf landen ter wereld zonder enige landelijke vorm van betaald zwangerschapsverlof – wat Trump trouwens heeft beloofd te veranderen – en de zorgcultuur is er anders dan in Nederland. Medische zorg is duur en commercieel en Amerikanen verwachten niet veel van de overheid op dit punt. Maar ook Amerikaanse ouders raken gestresst als ze niet naar de dokter kunnen met hun zieke kind.

Verder geen voorspellingen van mij. Wel een paar gedachten over oorzaken. Ik hoor er veel. Er zitten in Florida zoveel zwarten in de gevangenis – als tien procent van hen had mogen stemmen en ze hadden op Hillary Clinton gestemd, had zij gewonnen. De witte vrouwen hebben toch op Trump gestemd – het is hún schuld. De witte arbeidersklasse voelt zich verwaarloosd. En: vrouwenhaat! Al die factoren hebben meegespeeld, maar leveren een beperkte verklaring. De vertaling in demografische groepen suggereert een homogeniteit binnen die groepen die er niet is. ‘De elite’, ‘de latinos’, ‘de arme blanken’. Stuk voor stuk bestaan die groepen niet als zodanig. Het zijn etiketten die de werkelijkheid zo plat slaan als een dubbeltje, maar de beeldvorming intussen wel beïnvloeden.

Een analyse die voor mij meer verhelderde, was die van Adam Haslett in het blad The Nation van een maand geleden. Wilt u het lange, Engelstalige, origineel lezen, google dan ‘Donald Trump, Shamer in Chief’. Haslett beargumenteert de stelling dat de drijvende emotie van deze verkiezingen schaamte was – economische, etnische, of persoonlijke schaamte. Dus niet woede, zoals alom wordt aangenomen. Bijna iedereen in de VS schaamt zich, schrijft Haslett. Voor armoede, relatieve imperfectie in vergelijking met andermans Facebookfoto’s, overgewicht, tegenvallende bedrijfsresultaten, werkloosheid. De huidige cultuur – Donald Trump voorop – is erop gericht die schaamte uit te buiten. Het gebrek aan solidariteit en echt contact tussen mensen maakt het aantrekkelijk om eigen schaamte te neutraliseren door anderen nog harder te vernederen.

Op Twitter zie ik dat veel gebeuren. Iemand zegt iets, en een ander valt hem keihard, op de man – of vaker, vrouw – aan. Dat gebeurt op een manier die in gewoon menselijk contact buiten iedere orde zou zijn. Twitter is een soort schoolplein, en het lekkere van zo’n aanval zit er voor veel mensen, denk ik, in dat het in het openbaar gebeurt. Iedereen ziet jou, in 140 welgekozen tekens, die ander de grond in boren. Sociale media lenen zich bij uitstek voor dat soort pestgedrag. En pesten is een strategie om om te gaan met sociale onveiligheid in een groep. In de Amerikaanse maatschappij voelen de meeste mensen, of ze nu links, rechts, man, vrouw, arm, rijk, zwart of wit zijn, zich beschaamd en onveilig. Dat wordt versterkt door de nationale ideologie dat Amerika het beste land met de meeste mogelijkheden voor iedereen is. Als je dan buiten de boot valt, op wat voor manier dan ook, ligt het blijkbaar aan jezelf.

Wellicht de makkelijkste manier om dat gevoel te dempen, en je in elk geval een beetje superieur te voelen, is door anderen te pesten. En sociale media bieden een perfecte omgeving om dat te doen. Facebook vormt tegenwoordig een van de laatste plekken waar mensen elkaar dagelijks ontmoeten. In kerken en op dorpspleinen werd vroeger al gepest, want ook daar was vaak eerder een sfeer van schaamte dan van open contact. Maar Facebook en Twitter lenen zich voor een veel explicietere en ergere vorm. Donald Trump is er een expert in en heeft duizenden twitteraars achter zich, die al jaren systematisch Hillary Clinton online kapot maken. Met succes.

Trump heeft daarmee van schaamte een wapen gemaakt. Niemand wil zelf gepest worden en als je hem, de ‘Shamer in Chief’ maar volgt, dan behoor je zelf tot het gilde van pesters, en niet tot dat van slachtoffers. Dan hoef je de schaamte over je eigen gebrek aan succes, rijkdom, of wat dan ook, niet te voelen.

Je kunt natuurlijk ook anders omgaan met je eigen schaamte en met die van anderen. Ik heb in de periode dat ik voor deze krant mocht schrijven, één keer een nare reactie gekregen. Overduidelijk bedoeld om te kleineren. Het werkte. Ik voelde mezelf krimpen. Maar de angel was eruit zodra ik het voorval deelde met een collega die ik vertrouw en die, zoals voorzien, lief en geestig reageerde. Schaamte als basisgevoel en sociale media als dorpsplein stimuleren niet tot openhartigheid of goed luisteren. Toch is dat een betere uitweg dan een piramidespel van vernedering met Trump aan de top. En het is een uitweg die ook in de VS open blijft – al lijkt het land nu nog verder gepolariseerd dan vorige week.

Dan tot slot, want ik ben na vandaag niet weg, maar deze reeks over de verkiezingen is wel afgerond. Ik wil iedereen die deze stukken gelezen heeft hartelijk bedanken. Zeker degenen die de moeite namen inhoudelijk te reageren, en in het bijzonder de drie – Willemien Groot, Vincent van der Noort en Menno Polak – die alles vooraf gelezen hebben en veel, soms beschamende, fouten hebben voorkomen. En die mij weer bij elkaar hebben geveegd, toen ik afgelopen woensdag toch behoorlijk kapot was van het nieuws.

 

Leidsch Dagblad – November 8, 2016

De hooivorken worden geslepen

De Amerikanen gaan vandaag naar de stembus. Woensdag weten we – waarschijnlijk – wie de nieuwe president wordt. Ik hoop natuurlijk dat u gaat kijken vannacht, maar de doorslaggevende momenten vallen ongetwijfeld in het holst van de nacht. Spannend is het wel.

Republikein Donald Trump en Democraat Hillary Clinton zitten elkaar in de peilingen op de hielen. Er zijn veel verhalen over manipulatie van de uitslag door beide kampen. Trump heeft nog niet toegezegd dat hij een eventuele nederlaag zal aanvaarden. Er zijn Trumpaanhangers, onder wie zelfs congresleden, die aankondigen dat ze hun hooivorken al slijpen.

Wordt de uitslag nou gemanipuleerd of niet? Moeten we bang zijn voor geweld rond de verkiezingen?

Over de laatste vraag: er bestaat in de VS een lange traditie van geweld rond de verkiezingen. Ook nu zou ik niet verbaasd zijn als het misgaat. Al in 1804 vermoordde vicepresident Aaron Burr zijn tegenstander Alexander Hamilton, de eerste minister van Financiën van het land. Hamilton dwarsboomde Burrs politieke carrière.

Dit is misschien een extreem geval, maar geweld rond de verkiezingen is van alle tijden. De witte nationalistische ‘Know-Nothing’ partij vocht vanaf ongeveer 1820 tot aan de Burgeroorlog (1861-1865) tegen de groeiende politieke macht van immigranten. Die waren meestal Duits of Iers, en in hun ogen nog erger, katholiek. Dat deden ze zowel langs politieke weg, als via geweld en intimidatie van genaturaliseerde nieuwkomers. Op Election Day in 1855 vermoordden Know Nothing-aanhangers 22 migranten die wilden stemmen in de staat Kentucky.

Dezelfde tactiek om mensen bij de stembus weg te houden werd na de Burgeroorlog gebruikt om zwarten te intimideren. In de laatste decennia van de negentiende eeuw mochten zij stemmen, maar in praktijk was dat levensgevaarlijk. Nadat de Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw had afgedwongen dat het stemrecht in de Grondwet werd vastgelegd, gebeurde dit opnieuw. Groepjes mensen stonden, al dan niet expliciet dreigend, te posten bij stembureaus om zwarte kiezers af te schrikken. Donald Trump heeft zijn trouwe aanhang opgeroepen dat te doen, volgens hem om te controleren ‘of alles eerlijk verloopt’. Toevallig in gebieden waar vooral zwarten en latino’s stemmen. In praktijk betreft het een eeuwenoude intimidatietactiek, zeker in combinatie met de dreiging van geslepen hooivorken.

Ook op het niveau van lokale overheden worden ontmoedigingstactieken gebruikt. Bijvoorbeeld door stembureaus te sluiten. Zo wordt het lastiger om te gaan stemmen als je geen auto hebt – en dat zijn natuurlijk vooral leden van minderheden. Of – ook een goeie ouwe – ‘gerrymandering’: de herindeling van kiesdistricten zodat, bijvoorbeeld, een latinowijk die ongetwijfeld in meerderheid Democratisch zou stemmen, opgedeeld wordt. Zo wordt de latino vote over een paar overwegend Republikeinse districten  verdeeld. Dit heeft geen invloed op de presidentsverkiezingen, maar wel op het Huis van Afgevaardigden.

En dan zijn er federale bureaus die neutraal zouden moeten zijn, maar de verkiezingen wel degelijk beïnvloeden, zoals ‘Comey-gate’ afgelopen week liet zien. De FBI-directeur maakte nieuw onderzoek bekend naar Clintons emails, naar aanleiding van vondsten in een ongerelateerd onderzoek. Ze duikelde in de peilingen. Gisteren meldde Comey dat het onderzoek is afgerond. Er is niets gevonden, maar het kwaad is al geschied.

Bovenstaande voorbeelden werken in het nadeel van Democratische kandidaten, terwijl juist de Republikeinen het hardst roepen dat het systeem ‘rigged’ is. Democraten hebben meer reden zich bekocht te voelen, maar houden vast aan het geloof in eerlijke verkiezingen. Dat is namelijk onmisbaar voor een democratisch systeem, hoe krakkemikkig ook. Onder Trump en de zijnen azen juist veel mensen op revolutie. Wantrouwen en geweld zijn koren op hun molen.

Leidsch Dagblad – November 5, 2016

Hoe Amerika een president kiest

Amerikanen zijn, gemiddeld genomen, preutser dan Nederlanders. ‘The Talk’, waarin ouders hun kinderen seksueel voorlichten, is een zwaarder, formeler gebeuren dan wij gewend zijn. Maar er is nóg een belangrijke ‘Talk’ die Amerikaanse ouders met hun kinderen voeren: het opvoedende gesprek waarin ze uitleggen wat het Electoral College (kiescollege) is.

Het kiescollege kiest elke vier jaar de nieuwe president. De naam suggereert een landelijke vergadering, maar die is er niet. Iedere staat krijgt op basis van het inwoneraantal een aantal Electoral College Votes, stemmen in het kiescollege, toegewezen. Die stemmen worden uitgebracht door ‘electors’ (kiesmannen). Kiesmannen zijn gewone burgers. Ze worden door hun thuisstaat aangewezen. De staten met de laagste inwoneraantallen, zoals Montana, hebben er drie. Californië, de staat met de meeste inwoners, heeft er 55. Als de stemmen zijn geteld komen de electors per staat bijeen om hun stem uit te brengen.

Hoe de Electoral College Votes op basis van de verkiezingsuitslag worden verdeeld over de presidentskandidaten mag elke staat zelf bepalen. In praktijk gaat het, behalve in de staten Maine en Nebraska, overal hetzelfde: de kandidaat die de meeste stemmen heeft behaald, krijgt de steun van alle kiesmannen van die staat.

Een voorbeeld: als in Florida 45 procent van de stemmen naar de Republikein Donald Trump gaat, 44 procent naar Democraat Hillary Clinton, en 11 procent naar de libertariër Gary Johnson, dan gaan alle 29 Electoral College Votes van Florida naar Trump. Opgeteld zijn er 538 kiesmannen te verdelen. De kandidaat die de helft plus één stem, 270 dus, verzamelt, wint.

Florida is een belangrijke staat om te winnen, met ruim 10 procent van het benodigde aantal kiesmannen. Het is een swing state – zowel Democraten als Republikeinen maken er serieus kans op de overwinning. Bovendien is de uitslag in de Sunshine State een goede voorspeller voor de landelijke uitslag. Deels omdat Florida veel gewicht in de schaal legt, maar ook is de bevolking een enigszins representatieve steekproef voor het hele land. Als in de vroege ochtend van 9 november de uitslag in Florida bekend is, ga ik slapen – dan durf ik er op te vertrouwen dat ik niet voor verrassingen kom te staan.

De laatste keer dat de legitimiteit van de uitslag – toen wél terecht – ter discussie stond, was in 2000. De kiesmannen van Florida zouden zowel Republikein George Bush als Democraat Al Gore over de magische grens van 270 stemmen trekken, en die waren er nagenoeg fifty-fifty verdeeld. En er was iets misgegaan met de mechanische stemmachines in sommige districten, waardoor doorslaggevende stemmen ongeldig waren.

Uiteindelijk kreeg Bush de kiesmannen van Florida toebedeeld. Hij won de verkiezingen, terwijl hij landelijk gezien minder individuele kiezers achter zich kreeg dan Al Gore.  In veel van zijn gewonnen staten behaalde Bush slechts een marginale meerderheid. Terwijl Gore in de staten die hij won, veelal wél een ruime meerderheid van de individuele kiezers had. Dat kan nu weer gebeuren: er zijn grote staten (New York, Californië) waar het leeuwendeel van de kiezers op Clinton zal stemmen, terwijl Trump veel van ‘zijn’ belangrijke staten (Texas, Ohio) waarschijnlijk krap zal winnen.

Zo zijn er nog veel meer ins en outs. Wat moet er bijvoorbeeld met ‘faithless electors’ – eigenzinnige kiesmannen die afwijken van de uitslag in hun staat? Maar dat zal in de meeste ‘Electoral College Talks’ die ouders met hun kinderen houden te ver voeren. Gelukkig maar. Dinsdag is het zover. Dan zien we dit ingewikkelde systeem live in actie.