Leidsch Dagblad – August 20, 2016

Wat doet Trump in Connecticut?

Een paar dagen geleden sprak de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump in de noordoostelijke staat Connecticut. Opmerkelijk, want Connecticut stemt sinds jaar en dag Democratisch. Daarom lag het niet zo voor de hand dat Trump zijn dure campagnetijd zou besteden in een staat die eigenlijk op voorhand al verloren is. Kwade tongen beweerden dat hij het deed omdat hij in het nabijgelegen New York woont, en het liefst in zijn eigen bed slaapt.

Ik zie ook weinig ruimte voor Trump in het Connecticut dat ik ken. Ik verhuisde, vandaag twee jaar geleden, voor een half jaar naar New Haven. Het is een universiteitsstad, de thuishaven van de stinkend rijke universiteit Yale. Maar New Haven kent ook drugsproblemen en schrijnende armoede.

In grote lijnen ziet de stad er zo uit: in het centrum huist de universiteit, in al zijn neoklassieke glorie. Daar wonen de studenten. In een prachtige, groene, aangrenzende wijk wonen de PhD-studenten en postdocs van Yale. De rest van de ring rond het centrum is, grof gezegd, arm en zwart. En arm in de Verenigde Staten is echt anders dan in Nederland. Arm is twee banen hebben en dan nog afhankelijk zijn van food stamps, voedselbonnen van de overheid. Werkende armen hebben geen verzekeringen, geen pensioen en geen kinderopvangtoeslag. Daarnaast is er een grote groep mensen die geen regulier werk heeft en in het informele of illegale circuit zit. Als je in de arme buurten van New Haven rondloopt – of vaker: er doorheen rijdt – waan je je in het troosteloze Baltimore van de televisieserie The Wire.

Om die ring heen liggen dan weer buitenwijken die mooi, wit en gezinsvriendelijk zijn. Ik woonde in zo’n wijk. Bijna alle ouders werkten bij Yale. Er was een yogaclub, een drukbezocht voorleesuurtje in de openbare bibliotheek en een biologische markt op zondag. Toen wij een kinderbed nodig hadden, vroeg de buurvrouw wat rond in haar netwerk en de volgende ochtend stond iemand met een bedje voor de deur. Groter en mooier dan mijn eigen bed in Nederland. Het bloemetje dat ik haar gaf, vond ze geloof ik nogal overdreven voor zoiets gewoons.

In diezelfde periode waren er rellen in het stadje Ferguson in de zuidelijke staat Missouri. Aanleiding was de dood van Michael Brown, een ongewapende zwarte achttienjarige die door een politieagent werd neergeschoten. In november 2014 werd besloten dat er geen rechtszaak kwam tegen de betrokken politieman. Dat bevestigde het gevoel van veel zwarten dat hun levens er in het Amerikaanse rechtssysteem eigenlijk niet toe doen. In 2015 zijn ongeveer honderd ongewapende zwarten door de politie doodgeschoten. Waarschijnlijk niet meer dan voorgaande jaren, maar toen werd het nog niet geteld en gold het niet als groot nieuws.

Ook in New Haven was de verontwaardiging groot. Overal verschenen oproepen om te demonstreren tegen de non-indictment. Ik ging erheen en bleek de enige witte te zijn. Ik werd een beetje meewarig aangekeken. De volgende dag hoorde ik dat veel collega’s ook gingen demonstreren, maar dan tijdens een door Yale University georganiseerde protestmars. Waar natuurlijk bijna iedereen wit was, behalve – o ironie – de politieagenten die de veiligheid tijdens de demonstratie moesten bewaken.

De protesten tegen institutioneel racisme waren dus pijnlijk gesegregeerd, maar beide groepen hebben één ding gemeen. Als er nu twee solide blokken anti-Trump-stemmers zijn, dan is dat de zwarte bevolking en de witte links-intellectuele elite in steden als New Haven, Connecticut. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat dat in Fairfield, waar Trump sprak, ook een universiteitsstad, anders ligt. Wíl hij de verkiezingen eigenlijk wel winnen?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *