Leidsch Dagblad – November 5, 2016

Hoe Amerika een president kiest

Amerikanen zijn, gemiddeld genomen, preutser dan Nederlanders. ‘The Talk’, waarin ouders hun kinderen seksueel voorlichten, is een zwaarder, formeler gebeuren dan wij gewend zijn. Maar er is nóg een belangrijke ‘Talk’ die Amerikaanse ouders met hun kinderen voeren: het opvoedende gesprek waarin ze uitleggen wat het Electoral College (kiescollege) is.

Het kiescollege kiest elke vier jaar de nieuwe president. De naam suggereert een landelijke vergadering, maar die is er niet. Iedere staat krijgt op basis van het inwoneraantal een aantal Electoral College Votes, stemmen in het kiescollege, toegewezen. Die stemmen worden uitgebracht door ‘electors’ (kiesmannen). Kiesmannen zijn gewone burgers. Ze worden door hun thuisstaat aangewezen. De staten met de laagste inwoneraantallen, zoals Montana, hebben er drie. Californië, de staat met de meeste inwoners, heeft er 55. Als de stemmen zijn geteld komen de electors per staat bijeen om hun stem uit te brengen.

Hoe de Electoral College Votes op basis van de verkiezingsuitslag worden verdeeld over de presidentskandidaten mag elke staat zelf bepalen. In praktijk gaat het, behalve in de staten Maine en Nebraska, overal hetzelfde: de kandidaat die de meeste stemmen heeft behaald, krijgt de steun van alle kiesmannen van die staat.

Een voorbeeld: als in Florida 45 procent van de stemmen naar de Republikein Donald Trump gaat, 44 procent naar Democraat Hillary Clinton, en 11 procent naar de libertariër Gary Johnson, dan gaan alle 29 Electoral College Votes van Florida naar Trump. Opgeteld zijn er 538 kiesmannen te verdelen. De kandidaat die de helft plus één stem, 270 dus, verzamelt, wint.

Florida is een belangrijke staat om te winnen, met ruim 10 procent van het benodigde aantal kiesmannen. Het is een swing state – zowel Democraten als Republikeinen maken er serieus kans op de overwinning. Bovendien is de uitslag in de Sunshine State een goede voorspeller voor de landelijke uitslag. Deels omdat Florida veel gewicht in de schaal legt, maar ook is de bevolking een enigszins representatieve steekproef voor het hele land. Als in de vroege ochtend van 9 november de uitslag in Florida bekend is, ga ik slapen – dan durf ik er op te vertrouwen dat ik niet voor verrassingen kom te staan.

De laatste keer dat de legitimiteit van de uitslag – toen wél terecht – ter discussie stond, was in 2000. De kiesmannen van Florida zouden zowel Republikein George Bush als Democraat Al Gore over de magische grens van 270 stemmen trekken, en die waren er nagenoeg fifty-fifty verdeeld. En er was iets misgegaan met de mechanische stemmachines in sommige districten, waardoor doorslaggevende stemmen ongeldig waren.

Uiteindelijk kreeg Bush de kiesmannen van Florida toebedeeld. Hij won de verkiezingen, terwijl hij landelijk gezien minder individuele kiezers achter zich kreeg dan Al Gore.  In veel van zijn gewonnen staten behaalde Bush slechts een marginale meerderheid. Terwijl Gore in de staten die hij won, veelal wél een ruime meerderheid van de individuele kiezers had. Dat kan nu weer gebeuren: er zijn grote staten (New York, Californië) waar het leeuwendeel van de kiezers op Clinton zal stemmen, terwijl Trump veel van ‘zijn’ belangrijke staten (Texas, Ohio) waarschijnlijk krap zal winnen.

Zo zijn er nog veel meer ins en outs. Wat moet er bijvoorbeeld met ‘faithless electors’ – eigenzinnige kiesmannen die afwijken van de uitslag in hun staat? Maar dat zal in de meeste ‘Electoral College Talks’ die ouders met hun kinderen houden te ver voeren. Gelukkig maar. Dinsdag is het zover. Dan zien we dit ingewikkelde systeem live in actie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *