Leidsch Dagblad – September 3, 2016

Wat drijft Trump-stemmers?

Zoals Nederlanders zichzelf vroeger heel tolerant voelden, bestond in de Verenigde Staten lang het zelfbeeld dat sociale klasse er voor Amerikanen niet toe deed. Racisme wordt al sinds de negentiende eeuw als nationaal probleem gezien, maar wat betreft klasse-gelijkheid waren Amerikanen een voorbeeld voor de wereld, vonden ooit zelfs Marx en Engels.

Er waren natuurlijk wel grote verschillen tussen arm en rijk. Maar culturele archetypen zoals Dagobert Duck, straatarm naar de VS gekomen en daar met hard werken en slim zakendoen miljardair geworden, hielden het idee levend dat sociale mobiliteit altijd tot de mogelijkheden behoort. Hoe arm je ook begint. Omgekeerd herinneren veel welgestelde Amerikanen zich hoe ze hun studie bekostigden met een baantje in een fastfoodrestaurant.

De laatste decennia – ongeveer sinds het presidentschap van Ronald Reagan in de jaren tachtig – kalft die egalitaire cultuur langzaam af. Als je eenmaal arm bent, is het moeilijker om eruit te komen en de elite is rijker en ontoegankelijker dan ooit.

Veel mensen, vooral in de zogenoemde Rust Belt rondom de Grote Meren, hadden ooit een stabiele baan. De regio vormde het industriële hart van de VS, bekend om zijn staal, steenkool en autofabrieken. Totdat bedrijven hun productie naar elders verplaatsten. De automatisering deed de rest. Nu werken veel voormalige fabrieksarbeiders in de dienstensector – een sector die nauwelijks kans biedt op vast werk. Banen zijn parttime, dan hoeft in de VS de werkgever niet voor een pensioen en andere sociale voorzieningen te zorgen. Vroeger hadden ze één baan, die vastigheid, vakantie, en op termijn een bescheiden eigen woning opleverde. Diezelfde mensen hebben nu twee of meer onregelmatige baantjes. die geen zekerheid of vooruitzichten bieden. Alleen overleven op de korte termijn. Als ze een eigen huis hadden, zijn ze dat in de afgelopen jaren kwijtgeraakt. Of zijn ze bang om het alsnog kwijt te raken.

Tegelijkertijd is er nu meer dan vroeger, vooral aan de oost- en westkust, een grote groep zeer welgestelden, wier ouders al rijk en hoogopgeleid waren. Zij zijn zichtbaar anders. Niet alleen wat betreft inkomen, maar ook qua eetgewoonten, taalgebruik, de opvoeding van hun kinderen en politieke prioriteiten. Daar kom je niet zomaar meer tussen.

De worstelende groep witte arbeiders en kleine zelfstandigen die ik hierboven beschreef heeft, begrijpelijk, een hekel aan die elite. Die spreekt op zijn beurt over rednecks en white trash met een minachting die ze zich over etnische of seksuele minderheden nooit zouden veroorloven.

Veel voormalige autoworkers zijn boos dat hun baan naar China is verhuisd. Net als zelfstandigen in de bouw, die zien dat illegale immigranten hun werk voor minder doen. De Democratische presidentskandidaat Bernie Sanders redeneerde: ‘Het komt door de multinationals die productiewerk hebben geëxporteerd en bedrijven die illegale immigranten uitbuiten.’ De Republikein Donald Trump spreekt dezelfde onvrede aan met een klassiek Trumpiaanse oversimplificatie: ‘Het is de schuld van de buitenlanders’.

En anders dan Sanders, boort hij hiermee iets aan dat juist wel tot het traditionele blanke Amerikaanse repertoire behoort: het geloof in white supremacy. Blanken die zich in de steek gelaten voelen door de elite – à la Hillary Clinton – die arm zijn, de dreiging van armoede voelen, of bang zijn dat hun kinderen het niet redden in de maatschappij van nu, kunnen zich altijd nog beter voelen omdat ze wit zijn. En niet zwart, latino of moslim. Trump is nog veel rijker dan de Clintons maar afficheert zich handig als potentiële werkgever, wiens boodschap op raciaal gebied resoneert met hun onvrede. Maar wat hij ook zegt, en wie het ook wordt, de volgende president gaat de verloren stabiliteit en baanzekerheid niet terugbrengen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *