News

Leidsch Dagblad – September 10, 2016

Lewinsky-affaire achtervolgt Hillary

Aanstaande zondag is de eerste aflevering van Droomland Amerika (VPRO) op televisie. Als Amerikanist mocht ik een preview zien. Slimme zet natuurlijk, want die preview hadden de programmamakers toch en ik maak nu gratis reclame, met de autoriteit van iemand die geen enkele verplichting heeft iets positiefs te zeggen. Maar dat doe ik wel, want de aflevering maakt hetzelfde belangrijke punt als ik vorige week, over de maatschappelijke onvrede in fly-over America, het deel van de VS dat de kosmopolitische elite van Oost- en Westkust alleen van boven kent. Met prachtige, ontroerende en melodramatische beelden van verlaten fabrieken.

Zo’n preview-aanbod geeft een inkijkje in hoe ‘de media’ werken. Leerzaam voor mij als onderzoeker. Door deze column kom ik op een andere manier in aanraking met beeldvorming en het management daarvan. Dat ik beeldvorming bestudeer wil helaas niet zeggen dat ik er zelf ook goed in ben om te sturen hoe ik overkom. Eén blik op de foto hiernaast zegt genoeg. Het was natuurlijk een geinig idee, zo’n ‘I want YOU’-pose, maar op mijn gezicht staat ongewild in koeienletters te lezen: ‘Wat ís dit voor flauwekul?!’ Dat zou Hillary Clinton beter doen.

De Clintons, vooral Bill, staan bekend om hun schijnbaar oneindige vermogen klappen te incasseren en daarna met een verpletterende charme terug te komen. Dat Hillary daarbij als minder aantrekkelijk ervaren wordt dan haar man, komt door Bills onwaarschijnlijke X-factor, maar ook door cultureel verankerd seksisme.

Een van de grofste negatieve verkiezingsleuzen van de Republikeinen tot nu toe is wat mij betreft ‘Hillary sucks, but not like Monica’ (‘Hillary zuigt, maar niet zoals Monica’). De leus verwijst naar de Lewinsky-affaire in 1998, het schandaal rondom de affaire van toenmalig president Bill Clinton met Monica Lewinsky. Clinton zwoer dat hij niet met Lewinsky naar bed was geweest. Toen er kort daarna een jurk van Lewinsky met sperma van Bill Clinton opdook, waren velen ervan overtuigd dat Clinton onder ede gelogen had. Het Congres begon een impeachment procedure om de president af te zetten. Een cruciaal punt in Clintons succesvolle verdediging tijdens die procedure was, dat Lewinsky hem wel oraal bevredigd had, maar dat dat voor hem niet als seks telde. Mja. Okee.

In dat licht is de slogan ‘Hillary sucks, but not like Monica’, zowel geniepig als op een foute manier grappig. De claim is dat Hillary Clinton niet alleen vervelend is (‘sucks’), maar ook faalt in het seksueel dienen van haar man, zodat hij zich wel tot zijn 22-jarige stagiaire móést wenden. Vrouwen met politieke macht worden bijna nooit als sexy gezien, ongetwijfeld mede omdat ze zich als machthebbers niet onderdanig opstellen. Denk aan Margaret Thatcher of Angela Merkel. Maar de leus suggereert dat Hillary Clinton wel een extreem geval is: iedereen weet dat zelfs haar man haar niet aantrekkelijk vindt.

Natuurlijk is er ook een andere kant aan dit verhaal. Hillary vertelt regelmatig in de media hoe zij de ontrouw van haar echtgenoot ervaren heeft en hoe ze er samen uitgekomen zijn. Dat verhaal is voor velen herkenbaar, en een lichtend voorbeeld in een maatschappij waar monogame heteroseksuele relaties de norm zijn.

Maar hoe vakkundig ze het ook spint, de Lewinsky-affaire heeft Hillary politiek beschadigd. Bill liet Monica keihard vallen. ‘Er samen uitkomen’ betekende blijkbaar ‘samen kiezen voor de macht’. Dat Hillary wordt afgerekend op haar mans buitenechtelijke escapade én op zijn afhandeling ervan is wrang. Maar de dagelijkse realiteit van de voormalige middenklasse uit de Rust Belt is ook wrang. Een deel van hen ruikt bloed. En een goeie foute grap gaat er altijd in.

Leidsch Dagblad – September 3, 2016

Wat drijft Trump-stemmers?

Zoals Nederlanders zichzelf vroeger heel tolerant voelden, bestond in de Verenigde Staten lang het zelfbeeld dat sociale klasse er voor Amerikanen niet toe deed. Racisme wordt al sinds de negentiende eeuw als nationaal probleem gezien, maar wat betreft klasse-gelijkheid waren Amerikanen een voorbeeld voor de wereld, vonden ooit zelfs Marx en Engels.

Er waren natuurlijk wel grote verschillen tussen arm en rijk. Maar culturele archetypen zoals Dagobert Duck, straatarm naar de VS gekomen en daar met hard werken en slim zakendoen miljardair geworden, hielden het idee levend dat sociale mobiliteit altijd tot de mogelijkheden behoort. Hoe arm je ook begint. Omgekeerd herinneren veel welgestelde Amerikanen zich hoe ze hun studie bekostigden met een baantje in een fastfoodrestaurant.

De laatste decennia – ongeveer sinds het presidentschap van Ronald Reagan in de jaren tachtig – kalft die egalitaire cultuur langzaam af. Als je eenmaal arm bent, is het moeilijker om eruit te komen en de elite is rijker en ontoegankelijker dan ooit.

Veel mensen, vooral in de zogenoemde Rust Belt rondom de Grote Meren, hadden ooit een stabiele baan. De regio vormde het industriële hart van de VS, bekend om zijn staal, steenkool en autofabrieken. Totdat bedrijven hun productie naar elders verplaatsten. De automatisering deed de rest. Nu werken veel voormalige fabrieksarbeiders in de dienstensector – een sector die nauwelijks kans biedt op vast werk. Banen zijn parttime, dan hoeft in de VS de werkgever niet voor een pensioen en andere sociale voorzieningen te zorgen. Vroeger hadden ze één baan, die vastigheid, vakantie, en op termijn een bescheiden eigen woning opleverde. Diezelfde mensen hebben nu twee of meer onregelmatige baantjes. die geen zekerheid of vooruitzichten bieden. Alleen overleven op de korte termijn. Als ze een eigen huis hadden, zijn ze dat in de afgelopen jaren kwijtgeraakt. Of zijn ze bang om het alsnog kwijt te raken.

Tegelijkertijd is er nu meer dan vroeger, vooral aan de oost- en westkust, een grote groep zeer welgestelden, wier ouders al rijk en hoogopgeleid waren. Zij zijn zichtbaar anders. Niet alleen wat betreft inkomen, maar ook qua eetgewoonten, taalgebruik, de opvoeding van hun kinderen en politieke prioriteiten. Daar kom je niet zomaar meer tussen.

De worstelende groep witte arbeiders en kleine zelfstandigen die ik hierboven beschreef heeft, begrijpelijk, een hekel aan die elite. Die spreekt op zijn beurt over rednecks en white trash met een minachting die ze zich over etnische of seksuele minderheden nooit zouden veroorloven.

Veel voormalige autoworkers zijn boos dat hun baan naar China is verhuisd. Net als zelfstandigen in de bouw, die zien dat illegale immigranten hun werk voor minder doen. De Democratische presidentskandidaat Bernie Sanders redeneerde: ‘Het komt door de multinationals die productiewerk hebben geëxporteerd en bedrijven die illegale immigranten uitbuiten.’ De Republikein Donald Trump spreekt dezelfde onvrede aan met een klassiek Trumpiaanse oversimplificatie: ‘Het is de schuld van de buitenlanders’.

En anders dan Sanders, boort hij hiermee iets aan dat juist wel tot het traditionele blanke Amerikaanse repertoire behoort: het geloof in white supremacy. Blanken die zich in de steek gelaten voelen door de elite – à la Hillary Clinton – die arm zijn, de dreiging van armoede voelen, of bang zijn dat hun kinderen het niet redden in de maatschappij van nu, kunnen zich altijd nog beter voelen omdat ze wit zijn. En niet zwart, latino of moslim. Trump is nog veel rijker dan de Clintons maar afficheert zich handig als potentiële werkgever, wiens boodschap op raciaal gebied resoneert met hun onvrede. Maar wat hij ook zegt, en wie het ook wordt, de volgende president gaat de verloren stabiliteit en baanzekerheid niet terugbrengen.

Leidsch Dagblad – August 27, 2016

Waarover stemmen Amerikanen straks?

Hillary Clinton wordt nog steeds door de email-affaire achtervolgd en Donald Trump heeft voor de derde keer zijn campagneteam op de schop genomen. Door zulke nieuwtjes raken basale realiteiten soms ondergesneeuwd. Op 8 november stemmen Amerikaanse kiezers niet alleen voor de 45e president van de Verenigde Staten.

Naast de president moeten alle 435 leden van het Huis van Afgevaardigden worden herkozen of vervangen. Ook komen 34 van de 100 Senaatszetels vacant. Twaalf staten houden gouverneursverkiezingen. De functie van gouverneur lijkt op die van president, maar dan op staatsniveau. Gouverneurs zijn cruciaal, want de afzonderlijke staten gaan over bijna alle zaken die het dagelijks leven van burgers beïnvloeden. Van verkeersboetes tot de doodstraf, en van uitkeringen tot inentingsprotocollen.

Senaat en Huis van Afgevaardigden vormen samen het Congres – de wetgevende macht in Washington, in de verte vergelijkbaar met onze Eerste en Tweede Kamer. Amerikaanse congresleden functioneren op landelijk niveau, maar worden per staat en op persoonlijke titel gekozen. Ze vertegenwoordigen hun politieke partij, maar vooral hun thuisstaat. Omdat het wantrouwen jegens ‘Washington’ in de VS nog veel sterker is dan in Nederland jegens ‘Den Haag’, is het voor de congresleden belangrijk contact te houden met de eigen kiezers in hun thuisstaat.

Er bestaat daardoor, wat betreft individuele wetten, nauwelijks een traditie van fractiediscipline. Een congreslid stemt niet per se mee met de lijn van de eigen partij, maar kijkt in de eerste plaats naar het belang van de thuisstaat. Wie House of Cards kijkt, weet dit al: de hoofdpersoon in de serie heeft de functie van whip, degene die belast is met het één voor één in het gareel jagen van de congresleden in zijn eigen partij.

Dat kan vreemde gevolgen hebben. Tegenstribbelende congresleden eisen vaak een toevoeging bij een voorliggende wet, waarin een bonus voor hun staat wordt vastgelegd. Bijvoorbeeld de aanleg van een snelweg, fabriek of park. Zo kunnen ze thuis verantwoorden dat ze met de wet hebben ingestemd. Zeker voor de leden van het Huis van Afgevaardigden – die elke twee jaar moeten worden herkozen, en dus permanent campagne moeten voeren – is het belangrijk dat ze hun kiezers kunnen laten zien wat zij in Washington voor elkaar krijgen.

Op het punt van agendabepaling bestaat wél partijdiscipline. In zowel het Huis als de Senaat hebben de Republikeinen op dit moment de meerderheid. En ze hebben de laatste jaren de neiging alle wetgeving waar de huidige Democratische president Barack Obama om vraagt, collectief te blokkeren. Dat ze bereid zijn heel ver te gaan, zagen we in 2015 toen de federale overheid wekenlang platlag, totdat het Congres de begroting eindelijk goedkeurde.

Tijdens de komende verkiezingen staat hun meerderheid op het spel. Trump ligt in veel staten zo ver achter in de peilingen, dat hij andere Republikeinse kandidaten in zijn val dreigt mee te slepen. Paul Ryan bijvoorbeeld, de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, strijdt in zijn thuisstaat Wisconsin voor herverkiezing. Hij staat bekend als Trump-criticus, en werkt momenteel zelfs met Hillary Clinton aan een anti-armoedewet, maar het feit dat Wisconsin op haar lijkt te gaan stemmen, kan zijn eigen herverkiezing ook in gevaar brengen.

Als de Democraten erin slagen de nieuwe president te leveren én een meerderheid veroveren in het Congres, kunnen ze opeens veel gedaan krijgen. Zo ging het ook in Obama’s beginjaren en veel Republikeinen hebben daar nog steeds een kater van. Of het komt door zijn nieuwe campagneteam of niet, Trump krabbelt de laatste dagen iets op in de peilingen. Maar de paniek onder Republikeinse congresleden is voorlopig nog gerechtvaardigd.

Leidsch Dagblad – August 20, 2016

Wat doet Trump in Connecticut?

Een paar dagen geleden sprak de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump in de noordoostelijke staat Connecticut. Opmerkelijk, want Connecticut stemt sinds jaar en dag Democratisch. Daarom lag het niet zo voor de hand dat Trump zijn dure campagnetijd zou besteden in een staat die eigenlijk op voorhand al verloren is. Kwade tongen beweerden dat hij het deed omdat hij in het nabijgelegen New York woont, en het liefst in zijn eigen bed slaapt.

Ik zie ook weinig ruimte voor Trump in het Connecticut dat ik ken. Ik verhuisde, vandaag twee jaar geleden, voor een half jaar naar New Haven. Het is een universiteitsstad, de thuishaven van de stinkend rijke universiteit Yale. Maar New Haven kent ook drugsproblemen en schrijnende armoede.

In grote lijnen ziet de stad er zo uit: in het centrum huist de universiteit, in al zijn neoklassieke glorie. Daar wonen de studenten. In een prachtige, groene, aangrenzende wijk wonen de PhD-studenten en postdocs van Yale. De rest van de ring rond het centrum is, grof gezegd, arm en zwart. En arm in de Verenigde Staten is echt anders dan in Nederland. Arm is twee banen hebben en dan nog afhankelijk zijn van food stamps, voedselbonnen van de overheid. Werkende armen hebben geen verzekeringen, geen pensioen en geen kinderopvangtoeslag. Daarnaast is er een grote groep mensen die geen regulier werk heeft en in het informele of illegale circuit zit. Als je in de arme buurten van New Haven rondloopt – of vaker: er doorheen rijdt – waan je je in het troosteloze Baltimore van de televisieserie The Wire.

Om die ring heen liggen dan weer buitenwijken die mooi, wit en gezinsvriendelijk zijn. Ik woonde in zo’n wijk. Bijna alle ouders werkten bij Yale. Er was een yogaclub, een drukbezocht voorleesuurtje in de openbare bibliotheek en een biologische markt op zondag. Toen wij een kinderbed nodig hadden, vroeg de buurvrouw wat rond in haar netwerk en de volgende ochtend stond iemand met een bedje voor de deur. Groter en mooier dan mijn eigen bed in Nederland. Het bloemetje dat ik haar gaf, vond ze geloof ik nogal overdreven voor zoiets gewoons.

In diezelfde periode waren er rellen in het stadje Ferguson in de zuidelijke staat Missouri. Aanleiding was de dood van Michael Brown, een ongewapende zwarte achttienjarige die door een politieagent werd neergeschoten. In november 2014 werd besloten dat er geen rechtszaak kwam tegen de betrokken politieman. Dat bevestigde het gevoel van veel zwarten dat hun levens er in het Amerikaanse rechtssysteem eigenlijk niet toe doen. In 2015 zijn ongeveer honderd ongewapende zwarten door de politie doodgeschoten. Waarschijnlijk niet meer dan voorgaande jaren, maar toen werd het nog niet geteld en gold het niet als groot nieuws.

Ook in New Haven was de verontwaardiging groot. Overal verschenen oproepen om te demonstreren tegen de non-indictment. Ik ging erheen en bleek de enige witte te zijn. Ik werd een beetje meewarig aangekeken. De volgende dag hoorde ik dat veel collega’s ook gingen demonstreren, maar dan tijdens een door Yale University georganiseerde protestmars. Waar natuurlijk bijna iedereen wit was, behalve – o ironie – de politieagenten die de veiligheid tijdens de demonstratie moesten bewaken.

De protesten tegen institutioneel racisme waren dus pijnlijk gesegregeerd, maar beide groepen hebben één ding gemeen. Als er nu twee solide blokken anti-Trump-stemmers zijn, dan is dat de zwarte bevolking en de witte links-intellectuele elite in steden als New Haven, Connecticut. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat dat in Fairfield, waar Trump sprak, ook een universiteitsstad, anders ligt. Wíl hij de verkiezingen eigenlijk wel winnen?

Leidsch Dagblad – August 13, 2016

De luxe van holle retoriek

Laatst vroeg een lezer mij waarom ik niet meer aandacht besteed aan de enorme ramp die een Trump-presidentschap zou betekenen voor de Verenigde Staten en de rest van de wereld. U zult u mij niet horen zeggen dat het met die ramp wel mee zal vallen. Zelfs nu de peilingen anders doen geloven, blijft Donald Trump een reële kanshebber.

‘Ik kan iemand doodschieten op Times Square zonder kiezers kwijt te raken’, zei Trump begin dit jaar. Als wetenschapper heb ik veel onderzoek gedaan naar de retoriek van machtige mannen aan wie schijnbaar niets blijft kleven. Ze maken actief een icoon van zichzelf. Niet vanwege de inhoud, maar juist door een groot publiek de ruimte te geven hun eigen gevoelens te projecteren. ‘Make America Great Again’ is een lege wens – wat ‘great’ betekent, en wanneer Amerika in het verleden dan wél ‘great’ was, mag iedereen zelf invullen. Bijna iedereen heeft grieven over het heden en kan wel íets noemen dat ‘vroeger’ beter was. En zonder zijn aanhangers ooit te vragen om welke zaken het precies gaat, belooft Trump ze te zullen ‘aanpakken’.

Veel politici gebruiken deze retorische beweging – denk aan Obama’s slogan ‘Yes, we can!’. Wát kunnen we precies? En wie bedoelde Obama met ‘we’? Franklin Roosevelt had er ook een handje van. Zijn uitspraak ‘The only thing we have to fear is fear itself’ (‘Het enige beangstigende is angst’) is een voorbeeld. Hij zei dit op het moment dat mensen uit angst voor het omvallen van de banken hun spaargeld daar weghaalden. Waardoor veel banken natuurlijk juist omvielen. In die context was zijn uitspraak een betekenisvolle claim. Later gebruikte hij die nogmaals om de Amerikaanse burgers te overtuigen van de noodzaak tot interventie in de Tweede Wereldoorlog. De boodschap is zo geformuleerd dat hij steeds opnieuw betekenis krijgt.

Trump past deze truc in extreme vorm toe. Dat verklaart zijn succes natuurlijk maar ten dele. Bovendien laten sommige uitspraken juist onbedoeld negatieve constructies toe. Dat zagen we in de rel rond zijn grammaticaal moeilijk te duiden verwijzing naar “the Second Amendment people” (voorstanders van wapenbezit), die begrepen werd als doodsbedreiging aan het adres van Hillary Clinton.

Persoonlijk vind ik Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kanshebber een interessanter fenomeen. Ze presenteert zich, en wordt gezien als, de belichaming én levenslange dienaar van de vanzelfsprekende macht. Ze heeft daarmee minder ruimte om radicale standpunten in te nemen. Clinton persoonlijk heeft die wens ook niet. Maar het lijkt erop dat een vrouw in het huidige klimaat alleen als mainstream-kandidaat kans heeft serieus genomen te worden. Vrouwelijke kandidaten met extremere standpunten, zoals Republikeinse kandidaat-vicepresident Sarah Palin in 2008 of Green Party-kandidaat Jill Stein nu, worden daar veel harder op afgerekend dan hun mannelijke evenknieën.

En haar bevoorrechte positie ten spijt, ontmoet Clinton alsnog genderspecifieke weerstand, juist nu ze naar de macht dingt. Haar approval ratings waren altijd hoog in politieke functies, bijvoorbeeld als minister van Buitenlandse Zaken, maar consistent veel lager op het moment dat ze campagne voerde. Dat is geen individueel probleem van Clinton – een Harvard-studie uit 2010 laat zien dat vrouwelijke politici relatief populair zijn als ze een hoge politieke functie vervullen en worden gewantrouwd op het moment dat ze er kandidaat voor zijn. Blijkbaar is het geen probleem als vrouwen eenmaal macht hebben, maar roept het dingen naar macht, anders dan bij mannen, weerstand op. Ik hoop dat Trump geen president wordt, maar mede hierom ben ik er niet gerust op.

Leidsch Dagblad – August 6, 2016

De vicepresident als strategisch wapen

‘Wat doet de Amerikaanse vicepresident eigenlijk?’, vroeg mijn man laatst. Dat hangt geheel af van de dynamiek tussen president en vicepresident. Het enige dat grondwettelijk vastligt, is dat deze het stokje overneemt als de president gedurende zijn termijn overlijdt, zonder dat er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. Dit komt met enige regelmaat voor. Er zijn bijvoorbeeld in het verleden twee vicepresidenten genaamd Johnson bevorderd tot het hoogste ambt door een moord op de zittende president. Andrew Johnson na de moord op Lincoln (1865) en Lyndon Johnson na die op Kennedy (1963).

Er is een enorme variatie in hoeveel invloed vicepresidenten uitoefenen. Dick Cheney (2000-2008) wordt vaak beschouwd als evil mastermind achter de buitenlandpolitiek van George Bush Jr. Vicepresident Harry Truman (1944-1945) werd juist buiten alle belangrijke zaken gehouden. Tot hij ineens president was, omdat Franklin Roosevelt overleed.

De keuze van een kandidaat-vicepresident geldt vooral als strategisch wapen in de verkiezingsstrijd. De bekendmaking van running mates is een cruciaal moment. Het maakt duidelijk op welke groepen kiezers de presidentskandidaat zich richt. Ineens zie je dat het Amerikaanse tweepartijensysteem in feite óók een coalitiesysteem is. De genomineerde presidentskandidaat zal meestal geen running mate uit de eigen vleugel in de partij kiezen, want dit is dé gelegenheid om andere facties aan zich te binden. Daarom kiezen veel kandidaten iemand met wie ze inhoudelijk niet zoveel op hebben.

De Republikeinse kandidaat-vicepresident Mike Pence bijvoorbeeld, is binnen die partij een kopstuk van de grote en invloedrijke groep die ‘sociaal conservatief’ wordt genoemd – niet zozeer sociaal, als wel conservatief op sociale thema’s, zoals abortus en LGBT-rechten. Donald Trump is minder expliciet christelijk dan zijn Democratische tegenstrever Hillary Clinton. Dat is voor veel traditioneel Republikeinse kiezers een mogelijke reden om op haar te stemmen. Daarom was de ultra-conservatieve en -religieuze Pence een logische keuze.

Voor Clinton lag de keuze ingewikkelder. Nu de presidentskandidaat bij de Republikeinen zo omstreden is, kan ze daar wellicht kiezers losweken. Het cv van de katholieke Tim Kaine, hij was onder meer missionaris in Honduras, leent zich daarvoor. De vraag is of daarmee de luidruchtige en door het succes van Bernie Sanders hongerig geworden linkervleugel in haar eigen partij, voldoende wordt bediend. Het is een inhoudelijke kwestie, gaat Clinton over links of over rechts, maar dom rekenwerk speelt sterk mee. Als de Democraten een paar swing states (zoals Florida en Kaines thuisstaat Virginia) winnen met een relatief rechtse koers, wordt Clinton president. In veel staten waar Sanders de voorverkiezingen won, winnen de Democraten sowieso wel.

Toch was ik persoonlijk gecharmeerd van het linkse alternatief, Elizabeth Warren. De oud-hoogleraar rechtsgeleerdheid en senator voor de staat Massachusetts doet het uitstekend bij de Sanders-fans en is een van de weinigen die Trump voortdurend ijzersterk én geestig van repliek dient. Maar ja, een vrouw. En volgens velen is dat ‘te veel van het goede’. Waar waren al die visionairs de afgelopen 59 verkiezingen, toen er aan beide zijden twee mannen op het ticket stonden? Maar dit terzijde. Enfin, jammer voor mij, maar strategisch gesproken hebben ze een punt. Opiniepeilers gaan ervan uit dat Clinton een paar procent aan stemmen kan verliezen, puur door seksisme. Dergelijke overwegingen wegen nu zwaarder dan wat de vicepresident uiteindelijk gaat doen.

First piece in Leidsch Dagblad – July 30, 2016

Under News I will publish articles that I have written. While these pieces were written for a Dutch general audience, I aim to also provide English translations.

artikelsarapolak

Perfect tegen spontaan

Volgens het woordenboek betekent presumptive ‘vermoedelijk’, en zou een presumptive nominee dus een ‘vermoedelijke genomineerde’ zijn. Dat suggereert dat tijdens de Republikeinse en Democratische Nationale Conventies nog een andere presidentskandidaat uit de bus had kunnen komen dan Donald Trump of Hillary Clinton, maar dat is niet zo.

De Nationale Conventies, die het startschot zijn van de strijd om het Amerikaanse presidentschap, zijn voor de ‘vermoedelijke’ genomineerden een soort afzwemmen: een ritueel ingericht als examen. Er wordt officieel gestemd, maar iedereen weet dat de ingevulde diploma’s al klaarliggen. Vroeger gebeurde het nog wel eens dat de uitkomst nog niet vastlag, omdat geen enkele kandidaat een absolute meerderheid had behaald in de voorverkiezingen. Op papier bestaan, ook als er wel een duidelijke winnaar is, nog alternatieve scenario’s, maar eigenlijk niet zonder het tussentijds veranderen van de spelregels. Een groep felle tegenstanders van Trump binnen de Republikeinse Partij, verenigd in de actiegroep #NeverTrump, heeft dat vóór de conventie inderdaad tevergeefs geprobeerd.

Ook bij de Democratische Partij verliep de nominatie van Clinton rumoerig. De partijtop steunde, tegen de eigen regels in, Hillary Clinton en werkte de populaire Bernie Sanders tegen. De partijbonzen boden excuses aan en er rolden koppen, maar de uitkomst van de conventie stond geen moment ter discussie. Een partijconventie is kortom bedoeld om een allang bekende presidentskandidaat ceremonieel op het schild te hijsen.

Ondanks al het spektakel dreigde de Trumpshow in Cleveland een beetje sneu te worden. Veel kopstukken uit de Republikeinse Partij, waaronder álle nog levende voormalige presidenten en presidentskandidaten behalve Bob Dole, hadden ineens héél dringende verplichtingen elders. Gelukkig waren er voldoende niet-meer-zo-onverwachte maar toch smakelijke relletjes.

Ik had verwacht dat Clintons nominatiefeest in Philadelphia, om een favoriete uitdrukking van mijn zoontje te gebruiken, ‘perfecteloos’ zou verlopen. Perfect volgens het script uitgevoerd en daardoor een beetje bloedeloos. Uiteindelijk bleek het toch een emotioneel gebeuren. De boze Sanders-aanhang, het pijnlijk aanhoudende boegeroep, de prachtige speech van presidentsvrouw Michelle Obama en de tranen van Bernie. Met als (ingeplande) kers op de taart de emotionele reacties op de eerste vrouwelijke presidentskandidaat met serieuze winkansen in de Amerikaanse geschiedenis.

 

Ergertainment

Ik stel me voor dat Clinton zelf niet met al die emotie even blij was, maar wellicht pakt het positief uit. Hillary’s schijnbare perfectie werkt namelijk ook tegen haar. Iedereen weet inmiddels heus wel dat ze het kan. Zo door de wol geverfd als zij, is er niemand. Er doen zelfs verhalen de ronde dat Bill indertijd helemaal niet stond te springen om president te worden, maar moest van zijn vrouw. Dat is vast niet waar. Maar de vele grappen waarin Bill teksten in de mond gelegd worden als “Besluiteloos? Hillary, ben ik besluiteloos?”, suggereren dat Hillary vanaf het begin intensiever betrokken was bij haar mans presidentschap dan de meeste First Ladies. Het paradoxale is dat die jarenlange ervaring haar soms ook in de weg zit. Het is net iets te duidelijk dat over elk detail van haar presentatie is nagedacht en vergaderd.

Daarmee is trouwens een begin van een verklaring gegeven voor Trumps succes. Je kunt er op rekenen dat zijn optredens tenenkrommende, pikante en walgelijke momenten kennen. Daardoor zwermen de media rond Trump als vliegen om een emmer stroop. De Republikeinse Conventie hobbelde van schandaal naar schandaal: Trumps echtgenote Melania plagieerde in haar toespraak Michelle Obama, tegenstander Ted Cruz weigerde nadrukkelijk Trump te steunen, Trumps aanhangers, die Clinton het liefst achter de tralies zien, scandeerden dagenlang massaal “Lock her up”. En dat terwijl Trump zelf tientallen processen aan zijn broek heeft, waaronder een verdenking van verkrachting van een minderjarige. Ook als je je er niet mee kunt identificeren, is een Trump-evenement nog altijd ergertainment van de bovenste plank.

 

“Four More Years”

De Nationale Conventies zijn daarmee in de eerste plaats een enorm mediacircus geworden. Het is voor beide partijen de aftrap van de campagne, die vier dagen moet duren, omdat die natuurlijk waanzinnig veel gratis zendtijd voor politieke partijen oplevert. Daarom zijn ze ook nooit tegelijk.

Hoewel nationale partijbijeenkomsten altijd al een centrale functie hadden bij de presentatie van de presidentskandidaat, kwam het vroeger vaker voor dat er werkelijk iets te beslissen viel. Van minder gedelegeerden stond vast op welke kandidaat ze zouden stemmen. Tegenwoordig houden alle vijftig staten voorverkiezingen in een of andere vorm. Een contested convention, waar vooraf niet vaststaat wie de partij gaat nomineren, wordt beschouwd als een slecht voorteken voor de uiteindelijke kandidaat.

Die volkswijsheid wordt enigszins ontkracht door de Democratische Nationale Conventie van 1940. De toenmalige president, Franklin Roosevelt – u zult in mijn columns vaker van hem horen – kon op dat moment eigenlijk niet worden herkozen. Hij had er al twee termijnen opzitten en dat was de traditionele, en sindsdien wettelijke, limiet. Maar aan de onmiskenbare vooravond van de Tweede Wereldoorlog wilde hij een derde termijn. Bovendien hadden de Democraten geen geschikte alternatieve kandidaat. Roosevelt had de VS door de Grote Depressie heen gesleept. Veel mensen geloofden daardoor dat hij de ideale man was om ook de nieuwe crisis het hoofd te bieden. Maar zichzelf opnieuw kandidaat stellen zou machtsgeil en zelfs dictatoriaal overkomen, dus dat kon niet.

In plaats daarvan deed Roosevelt een geniale zet. Hij ging niet naar de conventie, maar stuurde zijn vrouw Eleanor, een begaafd spreekster (zonder Melania-style plagiaat, maar met Michelle-achtig charisma). Net als Michelle Obama’s toespraak van afgelopen week, was Eleanors speech de gamechanger op de conventie van 1940. Vervolgens las een van de senatoren een dubbelzinnige boodschap van de president zelf voor. Roosevelt schreef dat hij nooit de ambitie had gehad om president te blijven. De gedelegeerden moesten zich vrij voelen in hun keuze. Er viel een stilte tot, schijnbaar spontaan, vrijwel alle gedelegeerden als één man riepen: “Wij willen Roosevelt!”. Als vanzelf begon de brass band Roosevelts toen al klassieke campagnelied “Happy Days Are Here Again” te spelen. En zo werd Roosevelt “by acclamation” genomineerd als presidentskandidaat, zonder aan de voorverkiezingen mee te doen. Zogenaamd spontaan, maar in werkelijkheid waren alle details gearrangeerd – de toespraak van zijn populaire echtgenote, de spreekkoren, de muziek. De nominatie moest en zou erin glijden. Compleet mét de suggestie dat het tegen zijn zin gebeurde.

 

Perfect of spontaan?

Roosevelt had het, in een tijdperk zonder televisie en sociale media, misschien iets makkelijker. Een stadion vol mensen laten meedoen aan een geregisseerd evenement dat er op televisie aantrekkelijk en overtuigend uitziet, is extreem moeilijk. Maar ook toen was er al gesteggel over de verdeling van zitplaatsen – onwillige gedelegeerden werden en worden bij voorkeur ergens achter een pilaar geparkeerd.

Wat blijft is de spanning tussen de wens om de massa te beheersen, en de noodzaak de indruk te wekken dat het allemaal spontaan verloopt. Trump helt van nature over naar ‘spontaan’. Clinton wilde wellicht een perfecte show, maar door het rumoer werd de Democratische Conventie diverser en menselijker. Hoe dan ook zijn Donald Trump en Hillary Clinton, geheel volgens het ‘vermoeden’, genomineerd. Maar vanaf nu is het geen afzwemceremonie meer. De uitkomst ligt nog helemaal open.